week 42 | 13.10.08 | 15:59 | Columnwedstrijd 2008 |Redactioneel | Door Redactie

Column 10: Orchidee & ik

Deze column is geschreven door Suzanne Wolter

Een voorliefde voor beestjes en plantjes, die bezit ik wel. Tijdens mijn eerste levensdagen werd ik al bewaakt door een heuse Dobermann Pincher. Hij likte mijn handje als ik dit door de spijlen van de box stak. Hij duwde me terug op de stoep als ik mijn eerste wankele pasjes op de straat wilde zetten. En toen ik zes was gaf mijn moeder mij de riem van ‘Daan’, zoals de hond heette, in mijn handjes, belde oma op om te zeggen dat ik eraan kwam, en dan geleidde Dobermann Daan mij twee straten verder naar oma.

Bang voor honden ben ik dus niet.

Ben ooit vreselijk aangevallen door notabene een cavia (je zult het niet geloven, met hechtingen en al), maar de daaruit voortvloeiende angst was een kwestie van overwinnen.
Heden ten dage stel ik het met hond Duuk, een dik lui konijn en enkele vrolijke vogels.

Dan heb ik het nog niet over de vele aangereden/achtergelaten/zielige dieren die ik met enige regelmaat mee naar huis neem. Van duiven tot herdershonden, van kittens tot konijnen. Vriendje rolt inmiddels niet meer met zijn ogen als ik weer eens een vondeling mee naar huis neem, hij weet dat ik zo ben en dat hij er toch niets aan kan veranderen.

Vriendje was wel blij dat ik, vlak nadat ik met een gevonden kitten thuiskwam, eens iets anders in mijn tas had zitten: een orchidee.
En orchidee? In je tas?
Yep.
Want toen ik bij iemand op bezoek was die op het punt stond haar meer dood dan levende orchidee tot compost te laten wederkeren, stak ik daar natuurlijk een stokje voor. Ik gritste het verschrompelde en bestofte plantje uit haar handen, trapte in versnelling 3-8 naar huis en verzorgde liefdevol mijn nieuwe projectje. Na enkele dagen al, stonden de bladeren wat meer rechtop en leek het orchideeënsap weer te stromen, maar van enige bloei was natuurlijk nog geen sprake.
Het punt was dat op de vensterbank thuis al vier orchideeën stonden en er tussen de rest van de beesten- en plantenboel geen plek meer was.

Dus?

Nam ik het gevalletje mee naar het werk. Potje er omheen, sticker erop met ‘deze geef ik zelf water’. Collega’s lachten me uit. Gaven het plantje nog geen vijf cent, smiespelden achter onze rug over haar verschrompelde blaadjes, over haar ontbrekende bloemen, om haar halverwege afgeknipte énige stengeltje. Maar daar trokken Orchidee en ik ons niets van aan. Ik heb d’r blaadjes afgestoft, haar naast de radio gezet, haar in het winterzonnetje gekoesterd en de zonwering naar beneden gelaten als het licht te fel werd. “Laat ze maar lachen”, zei ik tegen haar als we weer eens samen door de gang liepen richting vers-water-kraan en onder ‘die zijn raar’-blikken werden bedolven.

En nu?
Nu willen Orchidee en ik alleen even laten weten aan ál die mensen: Orchidee heeft sinds deze week vijf bloemen.
VIJF.
Lekker puh.

Lees ook de andere columns en stem!dot