week 24 | 10.06.09 | 15:03 | Marina_V | Relatie | Webstrijd 2009 | Door Marina

Niet meer van hem

Twee-maanden-min-een-dag geleden verheugde ik me op een lekker lang weekend samen met mijn Lief. Ondanks dat kregen we ruzie. Daar was ik blij om, want het liep al even niet zo soepel. Het beste dat je dan kunt doen: Kopjes en borden opzoeken die toch al niet bij de rest van je servies pasten, die eens lekker stuksmijten tegen de muur en het daarna uitgebreid goedmaken. We smeten niet met kopjes. We smeten niet met borden. We smeten niet met woorden. We keken elkaar aan. Hij stond op en zei dat hij wegging. Hij ging weg.

In de afgelopen twee maanden moest ik wennen aan mijn nieuwe leven. Mijn leven zonder de man met wie ik oud dacht te gaan worden. Met wie ik oud wilde worden. Met wie ik oud wil worden. Ik leerde er veel van. Bijvoorbeeld dat liefdesverdriet alleen maar mooi is in de film. En dat er voor mij geen acteercarrière is weggelegd. Hoewel er geen traan gespeeld was, klonken mijn hysterische snikken op geen moment romantisch of hartverscheurend. Eerder gewoon belachelijk. In plaats van de voorzichtig biggelende traan over mijn wang kleefde het snot aan alle kanten van mijn gezicht. Mijn ogen zagen er permanent uit als die van Viola Holt in de week na haar ooglidcorrectie.

Ik huilde om ‘ons’ liedje. Ik huilde om vakantiefoto’s. Ik huilde om zijn geur in het kussen dat van hem is. Dat van hem was. Ik huilde toen de geur niet meer in het kussen zat. Ik bleef mezelf vertellen dat dat hoort. Dat het normaal is. Dat het niet de eerste keer is dat ik liefdesverdriet heb en dat ik zeker niet de eerste persoon op aarde ben die hier doorheen moet, maar zo voelt het natuurlijk wel. Iedere herinnering was een stomp in mijn maag.

Alle mooie dingen die er ooit waren, deden ineens zo’n pijn. Omdat ik niet begrijp en niet geloof dat ze zouden moeten stoppen. Omdat ik weet dat dat niet hoeft. Mijn Lief is bang dat ik daarin ongelijk heb. Daarom huil ik nu niet meer om de dingen die er waren. Ik bewaar iedere mooie herinnering in mijn hart. Maar een van onze standaard grapjes, die niemand snapt, klinkt nu ineens zo anders: “Weet je wat het is? Het is zo jammer. Het hoeft niet. Het kan ook zo anders.”

Als ik de koelkast opentrek, ligt daar de kaasfondue die we samen zouden eten. Die aanblik ontneemt me al mijn eetlust. Ik ga een klein beetje dood bij alle dingen die nog zouden komen, maar er niet meer zullen zijn. De sms’jes waarin hij me bij mijn koosnaampje noemde, doen geen pijn meer, maar de wetenschap dat niemand me ooit nog zo zal noemen, is ondraaglijk. Het zijn de kleine dingen die het doen. Zoals de pasta in de vorm van hartjes, die ik nu zonder hem moet eten. En hij houdt niet eens zo van pasta.dot