week 07 | 21.02.10 | 15:25 | Gezondheid |Nynke |Psyche |Thuis | Door NynkeDeJ

Een nacht om snel te vergeten

Vorgie week zaterdag keek ik naar de winnende race van Sven Kramer. Ik voelde me al de hele week niet zo lekker, vandaar dat ik daarna maar onder de wol kroop.

Beetje ziekjes

Ik had de hele week al vage buikklachten, en een beetje last van mijn onderrug. Maar goed, het was die tijd van de maand (behoeft geen uitleg) dus dan voel ik me altijd niet helemaal hiep-hiep-hoera. En die onderrug? Wellicht verkeerd geslapen ofzo. Zaterdag dacht ik wel: als het morgen nog niet beter is, ga ik maandag naar de dokter.

Ik lag in bed met een pijnstiller in mijn mik. Maar de pijn verdween niet. Sterker nog, die werd alleen maar erger. Ik lag op geen enkele manier lekker, alles deed pijn. Rondwandelen? Hielp ook niet. Ik moest ineens ook overgeven, kreeg het warm en koud en had het gevoel alsof ik elk moment flauw kon vallen.

Nierstenen als bowlingballen

En ondertussen had ik natuurlijk al mijn kwalen lopen googelen. Nooit doen hè. Dat wist ik zelf ook wel. Maar goed, ik had het wel gedaan en dacht dat ik inmiddels al wel een niersteen zo groot als en bowlingbal moest hebben. Of anders iets dodelijks. Als ik in paniek ben heb ik altijd iets dodelijks onder de leden.

Ik was alleen thuis. De huisgenoten waren elders. B. zat in Leiden. Mijn ouders op anderhalf uur rijden. Ik voelde mij Kevin McAllister, maar dan constant kotsend en zonder inbrekers. Als ik nog had kunnen zingen had ik even een hitje van Danny de Munck gedaan. En dan niet die over dat Amsterdam poep op de stoep is.

Een radeloos telefoontje later

Ik wist niet wat ik moest doen. Het was half drie ‘s nachts en ik huilde van de pijn. Dat doe ik anders nooit. Ik belde met de huisartsenpost. Gewoon, voor info. Wat moet je doen als je op zaterdagnacht kromgetrokken van de pijn naast de toiletpot ligt? “Kom anders maar effe langs”, zei de vrouw van de huisartsenpost. “Maar hebben jullie het niet veel te druk met dronken carnavalsvierders die van alles gebroken hebben?” vroeg ik bezwaard. “Neuh”, was het antwoord.

Dus ik trok een joggingbroek over mijn pyjama en fietste naar de huisartsenpost. Om half drie ‘s nachts. De arts zei: “het is een fikse blaasontsteking”, en hij gaf mij pijnstillers en antibiotica. Huilend omhelsde ik de antibiotica. Ze belden een taxi voor me (dat fietsen was achteraf toch niet zo’n puik plan) en ik kotste in de sneeuw voor de huisartsenpost. De taxichauffeur verhaalde compleet onverstaanbaar over zijn eigen dotterbehandeling (tenminste, ik denk dat hij het daar over had. Hij sprak zo onduidelijk dat hij net zo goed ‘otterwandeling’ of  ‘stotterverademing’ gezegd kan hebben.) Ik knikte braaf en dacht alleen maar: breng me naar huis, papzak. Anders kots ik nog over je bekleding heen.

Mijn moeder voelde het al aan

Toen ik de volgende dag mijn moeder belde, nam ze op met de woorden: “Ben jij ziek?” Zij voelt dat aan.

Moraal van het verhaal: eerder naar de dokter gaan. Want dit wil ik dus nooooit meer.

CC Foto: mararie dot