CarolienD
* Carolien in vijf woorden: bourgondische, creatieve en reislustige journalist met linkse hobby's.
* Levensmotto heb ik eigenlijk niet, maar ik vind 'slapen kan altijd nog' wel bij mijn instelling passen...
Verschijnt twee keer per week op Viva.nl met haar Watikmeafvroeg-blogs.
www.caroliendircken.nl
Op zich heb ik niets tegen de belastingdienst. Goed, van het bedrag dat de schurken me jaarlijks afnemen had ik een pied a terre in Parijs kunnen kopen, maar ik heb liever dat de A2 elk weekend openligt en de koningin een privéjet heeft.
Vijf dagen duurde mijn jetlag vorige week. Ik had twee weken lang 9 uur voorgelopen op Nederland en zat er bij terugkomst bioritmisch gezien weer helemaal naast.
Toen ik nog in loondienst werkte, kon ik immens genieten van glazenwassers op de redactie. Niet alleen omdat zo’n spontaan opduikende man even wat afleiding bood, maar ook omdat ik het resultaat van die snelle zwaaibewegingen zo waardeerde.
Nog geen 15 jaar geleden haalde ik met gebogen takken spinnenwebben uit de bomen. Stond ik grijnzend op de hoogste duikplank. Was auto’s afsnijden met mijn fiets in mijn ogen een sport en vond ik hoge golven geweldig.
Het was weer een drukke week. Nadat ik een Nederlandse cabaretière had geholpen bij het vinden van de perfecte Brabantse locatie om een buitenconcert te geven, moest ik nog even met een vriendin naar een hutje op de hei om te vergaderen met een voltallige redactie.
“Superleuk, moet je ook doen”, zegt een vriendin tegen me terwijl ze, met ogen op haar mobieltje gefocust, woordjes legt op een digitaal Scrabblebord.
Precies een jaar geleden schreef ik, onwetend en wanhopig, onderstaand stuk op mijn eigen blog. Mijn grootste wens: de serie die me in mijn jeugd naar de buis zoog, terugzien.
Lange tijd was ik er stellig van overtuigd dat ik bijna 1 meter 70 was. Ik kon vriendinnen van die lengte recht in de ogen aankijken en schatte ons dus altijd op dezelfde hoogte.
In de jaren ’90 was ik overtuigd alto. Van mijn kleedgeld kocht ik dr. Martens, skatebroeken van de herenafdeling en T-shirts met cd-hoezen van obscure en inmiddels lang vergeten bands.
Vroeger pronkten er boven het bed van mijn zus vijf stoere mannenhoofden.
In 2048 ben ik rijk. Tónnen aan bijeen gespaard kapitaal staan er tegen die tijd op verschillende bankspaarproducten met mijn naam erop. Dat klinkt zo goed, dat ik bijna zou willen dat het al zover was.
Een aantal jaren geleden deed ik met mijn vriend een tourtje west-China.
Nederland mag dan regenachtig, plat en druk zijn, het is qua afwezigheid van dodelijke, ranzige, totaal overbodige diersoorten de meest goddelijke plek op aard.
Het lijkt wel een rage: om me heen hoor ik steeds meer mensen zeggen dat ze ‘een maandje/weekje/weekendje niet drinken’.
Ik ben 28 jaar. Zo’n nietszeggende leeftijd die me doet denken aan 14 zijn: te klein voor het barhangen, te groot voor de Barbies.
Sinds 2009 woon ik in een volksbuurt. Een ‘Uteregs’ paradijsje waar kinderen vanouds hun ‘hemster woater geve’ en waar kanten gordijntjes decennialang het straatbeeld bepaalden.
Er zijn mensen die nooit vloeken. Die hun hoofd stoten aan een laag hangende afzuigkap en dan ‘curry’ of ‘chips’ zeggen.
De afgelopen weken bracht ik grotendeels horizontaal door. Ik sleepte me in Indonesië van stretcher naar zitzak en van strandlaken naar hangmat.
Vorige maand heb ik mijn rijbewijs moeten verlengen. Een heuglijk, doch confronterend moment. Ik ben tien jaar bestuurder, wat zoveel wil zeggen als vet oud.
Ik ben gek op Vlaanderen. Ik hou van Vlaams cabaret. Van Vlaamse muziek. Van Vlaamse frieten en Vlaams bier. En ik hou van de Vlaamse tongval.
Dat de sociale omgangsvormen en manieren uit Nederland geen internationale standaard zijn, ontdekte ik toen ik een jaar in China woonde. Daar vormde ik regelmatig in mijn eentje een keurige rij.
Het duurde even voor ik doorhad wat er gebeurde op de radio. ‘Geen genade voor de soldaten, geen genade voor de koning. Geen genade voor de soldaten, geen genade voor de koning’, dreunde een robotachtige vrouwenstem uit de speakers.