Rob heeft de webstrijd van 2007 gewonnen.
* Zijn motto: geen motto.
* Rob in vijf woorden: Amsterdam, schrijver, tweeling, bukowski, stier.
Rob heeft geblogd van 14 mei 2007 t/m 18 mei 2008.
Dat Viva.nl een kweekvijver is voor talent, wisten we natuurlijk al een beetje. Robin een roman, Elvan een handboek. Maar de romanprimeur is voor onze eigen ex-blogger Rob.
En dan is dit alweer mijn allerlaatste stukje voor VIVA. Time flies, zal ‘k maar zeggen. Ik vond het leuk. En heb genoten van jullie meelevende, kritische, meedenkende, adviserende en lieve reacties. Hartstikke bedankt daarvoor.
Wat kan ik toch soms irritant in elkaar zitten. Dankzij offers die ik heb gedaan (whèèè, m’n busje is verkocht), ben ik nu in de gelukkige omstandigheid om enkele maanden niet te hoeven werken. En kan ik me dus puur en alleen richten op schrijven. Maar toch er knaagt iets aan me.
Dat ik eergisteren met een paar puike vrienden in een bootje zou gaan varen. Weldra bleek het bootje helemaal geen bootje te zijn, maar een zeewaardig jacht. Van wel een meter of acht.
Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar het mooie weer heeft voor mij twee consequenties. Ten eerste ben ik vreselijk vrolijk. Werkelijk, ik ben niet chagrijnig te krijgen. (Alhoewel. Dat ik vrijdag met twee volle boodschappentassen naar het Westerpark fietste en vervolgens midden op de Marnixstraat één van de tassen begon te scheuren. Kijk, dáár word ik dan wel even pissig van. Maar ach).
“Speelt er al wat concreets op het gebied van werk?”, vraagt vriend R.
We zitten bij café Thijsen in de zon een kop koffie te drinken. Ik vertel hem over de stichting waar ik gesolliciteerd heb.
Julia en ik zitten op de achterbank van de auto “We gaan naar de Ardennen, de frisse lucht is effe wennen”, zing ik zacht. Vriendinnen V. en S. zitten voorin (vet hip: ze zijn lesbisch!). Ze wijzen om de beurt typisch Belgische dingen aan.
Het niet werken bevalt me wel. Ik kan allerlei plannen maken en hoef geen vrije dagen op te nemen. Geweldig. Geen stress en heerlijk relaxed. Niet werken; ik raad het iedereen aan.
Vijf politieagenten staan op de Noordermarkt. Ze kijken heel stoer, met hun handen in de zij. Ze staan met hun fleurige gele hesjes om een collega heen, die met een betonschaar een kettingslot doorknipt.
Ik logeer dit weekend in Alkmaar. Het is diep in de nacht, ochtend bijna, als ik het huis van vriend M. binnenstap. Het was gezellig in het café. M. is iets eerder uit de kroeg vertrokken en heeft mij de sleutel gegeven.
Er was iemand die vond dat ik altijd wel mijn woordje klaar had. En dat hij daar ook wel om moest lachen.
“Er staan enkele juweeltjes van liedjes op de nieuwe cd van Acda en De Munnik”, zei vriend J. Zal wel meevallen, dacht ik. Hij zette de stereo aan. Propte de cd in een de speler en selecteerde nummertje drie.
Ik wil graag een paar beveiligers in dienst nemen. Niet dat ik veel ellende verwacht, maar het lijkt me wel zo netjes als dat even geregeld wordt. Er gebeurt tegenwoordig van alles op straat. Marokaantjes die mijn vriendin uitschelden, omdat ze een vrouw is. De Amsterdammer van vijftig die vriend M. toeschreeuwt dat ‘ie hem wel effe op z’n bek zal timmeren’.
Het was niet de makkelijkste periode uit zijn relatief jonge leven. Zo van het vertrouwde Alkmaar naar de Grote Stad. Daar stond ie lekker droog en beschut in de berging. En hier werd hij in één keer dakloos. Dat is heftig, daar heeft een fiets last van. Precies zestien nachtjes heeft ie het volgehouden.
Meneer begaf zich op de Dag des Heeren richting Egmond. Aan Zee. Het beloofde een mooie dag te worden. Aangezien ik door mijn hardwerkend liefje vroeg mijn bed was uitgejaagd, arriveerde ik er op tijd. Ik positioneerde mijn troon vlak voor de duinen.
Net als een biljarttafel, zonnebank en piano, is er in mijn studio geen ruimte voor een wasmachine. En dat vind ik jammer. Want de stapel wasgoed is inmiddels tot ongekende hoogten gestegen. En daar heb ik dan ook weer geen ruimte voor.
Zondag zat ik in de kroeg bij mij om de hoek. Zo’n typisch Jordanees café met een oude man achter de bar, een klein hondje bij de kachel en een lapjeskat in de vensterbank. De oude man stelde zich voor als Gijs.
Maandag. Dus ik heb trek in dat wereldgerecht met gehakt en tomaat en groenten. En rijst. In zo’n pak, alles in één doos. Waarop de bereidingswijze stap voor stap is uitgeschreven. Zelfs de ingrediënten die je er zelf bij moet kopen staan keurig genoteerd. Speciaal voor mensen als ik.
Er was mij alles aan gelegen om bij mijn nieuwe buren grote indruk te maken. Immers, beter een goede buur dan een verre vriend. Tot gisterochtend ben ik echter nog geen goede buur tegengekomen.
Eén grote terugblik is het, zo’n verhuizing. Ik ben albums tegengekomen, vol met foto’s. Ik in een tuinbroek, voor het eerst op vakantie zonder ouders, met mijn eerste vriendinnetje in Artis, mijn reis door Australië, onze overleden hond.
We zijn allebei vrij en we lopen door de stad. Vriend Léon duwt de kinderwagen. Zijn dochter Sam kraait van plezier en kijkt ons, vanonder de kap, om de beurt onderzoekend aan. Ze heeft haar stem ontdekt dus ze stoot voordurend onverstaanbare kreten uit. Wij liggen telkens in een deuk. Om de minuut stoten we elkaar aan.”Moet je zien hoe ze kijkt!”, “Dat gezichtje!”, “Wat een uitslover!”