Het jaar voordat ik doodga deel #5: ‘Nog even en dan ben ik vrij. Eindelijk!’

zelfdoding

In een vijfdelige serie beschrijft journalist Lydia van der Weide het verhaal van Inge. Zij worstelt met een onmogelijke tweestrijd: leven of dood? Vandaag deel vijf.

Als kind dacht Inge (43) al elke avond: als ik niet meer wakker word, dan is dat ook goed. Vorig jaar besloot ze een einde aan haar 
leven te maken. Dat mislukte. Daarom gaf ze zichzelf nog één jaar. 
Om nog één keer te kijken of alles beter zou kunnen worden.

“De eerste weken nadat ik bijkwam, gingen in een roes voorbij. Lichamelijk knapte ik op en ik voegde me naar het ritme van de PAAZ (Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis, red). Mijn groepsgenoten wisten niet wat er met mij aan de hand was. Ze snapten ook niet wat ik daar deed. Ze vonden me 
vrolijk, spontaan en betrokken. Ze moesten eens weten! De 
leiding wist het natuurlijk wel, maar niemand had het erover. Alsof dat wat ik had gedaan, zomaar een foutje was geweest. Een uitglijder die maar vlug vergeten moest worden. Er was ook niemand die vroeg hoe het was geweest om dit allemaal zo zorgvuldig voor te bereiden en om afscheid te nemen van het leven. Zó gek.

Na een maand op de PAAZ kwam ik thuis. Daar was het stil, verschrikkelijk stil. Ik miste mijn poezen, leven om me heen, iets om mee te knuffelen en voor te zorgen. Ik haalde twee nieuwe bengeltjes uit het asiel, dat gaf me steun. Die steun putte ik ook uit gesprekken met enkele familieleden, met wie het contact open en hecht werd. Van de belofte van de psychiater om nog eens heel goed te kijken naar hoe ze me zouden kunnen helpen, kwam niets terecht. Een mislukte doorverwijzing, 
vakantie van de hoofdbehandelaar, een inactieve arts-
assistent… Uiteindelijk heb ik zelf een nieuwe behandeling 
gezocht. Eens in de twee weken mocht ik op gesprek bij een GGZ-instelling. Drie kwartier. Ook daar bleek hetgeen er 
gebeurd was taboe. De begeleiding, de psychologen: ze keken vooruit, niet achterom.”

De boel bedonderen

“Ik heb er veel gesprekken gevoerd. Sommige waren goed, 
andere voegden niets toe, waren leeg en onecht. En op welk punt in het gesprek we ook zaten, hoeveel tranen er ook vloeiden, na drie kwartier was het tijd om weg te gaan: ‘Tot over twee weken hè.’ Ik begrijp daar helemaal niets van. Er zou een diepgaand psychologisch onderzoek komen, onder andere om me op autisme te testen. Mijn snelle overprikkeling, het niet kunnen hechten: een hoop wijst erop. Of de uitslag iets zou 
helpen wist ik niet, maar het zou wel fijn zijn om een duidelijk labeltje te hebben. Zodat ik eindelijk wist dat het misschien níet allemaal mijn eigen, stomme schuld was. Maar na twee maanden was er nog steeds geen datum voor een test. Ik verloor het vertrouwen dat er überhaupt iets uit zou komen.

En langzaam, terwijl de tijd voorbijgleed en het alweer ruim een halfjaar later was, kwam de twijfel naar boven. Was ik de boel niet vreselijk aan het bedonderen? Ik had besloten en 
beloofd het nog een jaar te proberen. Maar ik dacht steeds vaker: volgens mij ben ik er al uit. Ik geloof dat ik echt, écht niet meer wil. Die gedachten wilde ik graag onder de loep nemen. Bij 
mijn psycholoog bleek dat een no go. Als ik me te serieus over 
de dood zou uitspreken, moest zij een opname regelen. Dat snap ik ergens wel: als ik uit het leven stap terwijl ik bij haar in 
behandeling ben, wordt zíj op het matje geroepen om te kijken of haar iets te verwijten valt. Maar het betekende wel dat ik me tijdens gesprekken niet veilig meer voelde. Dan wilde ik liever weg. Stoppen met de behandeling was een hele toestand. Echte 
betrokkenheid heb ik geen moment gevoeld. Het was meer alsof we er nog een tijdje voor mijn psycholoog en haar leidinggevende zaten, zodat zij konden zeggen dat ze er alles aan had gedaan en met een schoon geweten mijn dossier konden sluiten. Bizar. Zo kan hulpverlening toch niet bedoeld zijn?”

Dit is geen leven

“Met levenseindecounselor Joke, bij wie ik al die tijd om de paar weken een paar uur kwam, mocht ik wél onderzoeken of ik nog verder wilde. We spraken over wat leven nou eigenlijk voor mij is. Sámen leven, stelde ik. Verbintenis met anderen. En daar zit de crux, want ik kan dat zó moeilijk. Ik verdraag andere mensen niet in mijn nabijheid, niet fysiek, niet emotioneel. Moet ik dan van dat eilandje, waarop ik mij zo vaak voel zitten, een echt 
eilandje maken en me terugtrekken uit de maatschappij om als kluizenaar ergens gaan wonen? Dat zie ik niet voor me. In een ander land in de natuur wonen is ook geen oplossing. Het zou misschien even wat makkelijker zijn, maar mijn sociale problemen blijven overal hetzelfde. Je neemt jezelf tenslotte altijd mee.

Met het verstrijken van de tijd besefte ik dat het voor mij haarscherp was hoe ik erin stond. Ik wilde niet meer, ik wil niet meer. Echt niet. Ik vind er gewoon niets aan. Al is het niet zo dat ik nu ‘ondraaglijk lijd’. Ik zit thuis – in de ziektewet. Ooit nog werken, weer in ‘de normale wereld’ meedraaien, zie ik absoluut niet voor me – en ik kom de dagen wel door. Alleen, met mijn poezen, de caissières uit de supermarkt en zo nu en dan een 
familielid. Maar ik vind dit geen leven. Het is niet eens óverleven, want dan doe je nog je best. Dit voelt als vegeteren, 
met een immense onverschilligheid. Dat is niet oké. En dat 
‘ondraaglijk lijden’, dat wil ik juist voorkomen.”

Laatste reis

“Om toch nog een pas op de plaats te maken, besloot ik nog één keer op vakantie te gaan. Even ertussenuit, loskomen van al mijn gedachten. Eerst dacht ik aan IJsland, ik heb ooit het Noorderlicht gezien en dat vond ik prachtig. Het werd uiteindelijk een reis naar Tanzania. De ochtend nadat ik mijn koffers had gepakt, stond ik bij de incheckbalie op Schiphol. ‘Wilt u een lekker ruim plekje bij de nooduitgang?’ vroeg de grondstewardess me vriendelijk. Ik schoot in de lach. ‘Nee, doet u maar niet,’ antwoordde ik. Iemand naast de nooduitgang zonder overlevingsdrang, dat leek me niet verstandig. Daarna liep ik met mijn handbagage via de douane naar de gate. Op naar 
de Afrikaanse zon.

Vanuit het vliegtuigraampje zag ik Amsterdam onder me verdwijnen. In Tanzania dompelde ik me twee weken lang onder in een totaal andere wereld. Het was prachtig, overweldigend. Soms moest ik met mijn ogen knipperen, het was alsof ik in een film liep. Ik zag kuddes olifanten, wel honderd bij elkaar. Ik vergaapte me aan groepjes leeuwen, soms op slechts anderhalve meter afstand van de truck. Ze verblikten of verbloosden niet, maar lagen elkaar ontspannen te likken. Mijn reisgenoten vonden mij een leuke, gezellige vrouw. Ja, die rol weet ik nog altijd prima te spelen. Soms dacht ik: jullie zouden eens moeten weten waar ik in Nederland mee bezig ben. Ik kocht geen spullen. Alleen een sleutelhanger, zoals ik altijd op mijn reizen heb gedaan. Een traditie die ik ook deze keer wilde vasthouden. Na twee weken zat ik in het vliegtuig terug. Ik genoot van de vlucht: de prachtige sterrenhemel, de lichtjes langs de Nijl, de opkomende zon. Ik voelde me letterlijk en figuurlijk heel ver van iedereen af staan. En dat voelde helemaal niet slecht. 
Het was alsof ik een geheimpje deelde met het universum. 
Ik beschouwde mezelf eigenlijk al meer daar dan dat ik nog 
hier was.”

Schuldgevoel

“Thuis wachtten mijn katten op me. En mijn gedachten aan de dood. Ik had ze even opgeschort, maar thuis waren ze weer volop terug. Echt, ik heb genoten van Tanzania. Maar het is oké zo. Dat ik niet meer wil en niet méér wil, dat is gebleven. Of ik niet nog eens op reis wil? Nee joh. Ik wil nog wat geld overhouden voor als ik overlijd, om mijn familie niet op kosten te jagen. En ik zie er ook de zin niet van in. Ik zou best nog naar de Grand Canyon kunnen gaan bijvoorbeeld – maar wat maakt het uiteindelijk uit wat ik wel of niet gezien heb? Ik blijft het leven een slecht toneelstuk vinden. En ik wil mijn rol graag inleveren. Is het nu echt zo erg als ik vroeg vertrek? Voor júllie is het vroeg. Voor mij voelt het als voltooide tijd. Het is goed zo, ik heb lang genoeg gestreden. Laat mij nou maar gewoon. De gedachte dat dit nog lang zo verdergaat, maakt me vreselijk moe. En moedeloos. Ik verlang naar rust. Naar rust van anderen en van mezelf. Naar niets meer dan… simpelweg helemaal niets.
Ik begrijp het als mensen mij ondankbaar vinden. Er zijn zo veel mensen die knokken voor elke dag, elk extra uur. Natuurlijk voel ik me daar schuldig over. Als ik iets lees of zie over mensen die al een tijd ziek zijn, dan schaam ik me kapot. Dan denk ik: jezus, Inge, wat ben jij voor een slappeling? Geloof me: ik ben degene die mezelf het hardst veroordeelt. Daar ben ik mijn leven lang mee bezig geweest, elke dag, elk uur opnieuw. Daar kun jij niet tegenop. Of anderen die iets, al is het maar vaag, over mij horen en ongetwijfeld direct een mening vormen, want zo gaat het in ons land. Ik hoop ook dat niemand zichzelf wijsmaakt dat hij of zij nog iets had kunnen doen. 
Dat is niet zo. En ik wíl niet meer geholpen worden, het is 
voor mij klaar.”

Happy end

“Ik vertelde je aan het begin van mijn verhaal dat ik niet om begrip vroeg. Ook niet om goedkeuring. Het enige wat ik vroeg, was een luisterend oor, opdat mijn verhaal er één keer mocht zijn. Ik wil je bedanken voor dat luisterend oor. Misschien stel ik je teleur en had je toch ergens gehoopt op een happy end. 
Bedenk dan maar dat dit voor míj een happy end is. En al heb ik misschien maar een paar mensen geholpen met mijn verhaal, als het taboe doorbroken is, al is het maar in kleine kring, dan komt er toch nog iets goeds uit mijn leven voort. Ik puzzel nog – hoe pak ik het deze keer aan, hoe zorg ik ervoor dat het niet mislukt, in welke mate betrek ik mijn familie erbij, hoe moet het met mijn poezen? – maar ergens in de komende 
periode maak ik me opnieuw gereed voor het afscheid. Dan 
zal ik naar alle plaatsen gaan waarvan ik droomde. En verder nog: langs de zon en de maan, tot voorbij de oudste ster. Dan ben ik vrij, eindelijk. Ja, nog even. En dan is het tijd voor mijn laatste reis.”

Praten?

Inges verhaal kan veel losmaken. Wil je over je gevoelens praten? Bel Sensoor (0900-0767) voor een luisterend oor. Je kunt ook kijken 
op 113.nl, de site van de landelijke stichting 113 Zelfmoordpreventie, of bel ze op 0900-0113 (24/7 bereikbaar).

Deze organisaties begeleiden mensen met een serieuze, langdurige doodswens en verstrekken desgewenst informatie over zorgvuldige, humane zelfdoding:

• Het adviescentrum van de NVVE, nvve.nl
• Stichting De Einder, deeinder.nl
• Stichting LevenseindeCounseling,
levenseindecounseling.com

Hulp bij zelfdoding is strafbaar. Het verstrekken van informatie over hoe het op een humane manier aan te pakken níét.

Lees vrijdag het vijfde deel van Inge’s verhaal op VIVA.nl.

Lees ook: 

Het jaar voordat ik doodga deel #1: ‘Dit gevoel verandert niet, 
wat ik ook doe en welke hulp ik ook zoek’
Het jaar voordat ik doodga deel #2: ‘Ik kan nu zonder geweld uit het leven stappen. Dat geeft rust’
Het jaar voordat ik doodga deel #3: ‘Drie, vier seconden kreeg ik iets van de muziek mee. Toen was ik weg’
Het jaar voordat ik doodga deel #4: ‘Het is een truc, dacht ik. Want ik was toch aan 
het doodgaan?’

Productie Lydia van der Weide m.m.v.  Carolien van Eerde, Coördinator Adviescentrum NVVE