44: Kinderen geen bezwaar

geroosterde venkel

Ik lig op mijn bed naar het plafond te staren. Tranen glijden langs mijn wangen op het kussen. De baby houdt zich opvallend koest. Alsof ze weet dat er iets ergs aan de hand is.

Mick en ik hebben gigantische ruzie gehad over de telefoon en ik heb opgehangen met de woorden “Ik wil je nooit meer zien!”

Nicht Ellen was namelijk niet de eerste die me aansprak over mijn verhuisplannen. Overal waar ik de laatste dagen mijn gezicht laat zien, word ik aangeklampt. Soms zelfs door wildvreemden die via via hebben gehoord dat ik wegga uit mijn huis.

Mijn huis. Mijn lieve, lieve huis. Nou ja, huisje. Of studio zoals Mick het nu steeds een beetje badinerend noemt. Nou, hij heeft er anders ook al grif gebruik van gemaakt. Ik wrijf over mijn buik en denk aan die memorabele avond zo’n zeven maanden geleden toen we na dat feest in mijn bed belandden en te dronken waren om aan een condoom te denken met als gevolg dat ik straks een alleenstaande moeder ben, terwijl mijnheer gewoon lekker door kan gaan met zijn leventje.

Ik kom overeind en begin met gierende uithalen te huilen. Diep in mijn hart weet ik dat iedereen gelijk heeft. Ik kan hier niet blijven zitten met de baby. Ik heb niet eens ruimte voor een wiegje. Stiekem wil ik ook niets liever dan samen met Mick achter de Bugaboo lopen, maar ik ben gewoon nog niet klaar om mijn oude leventje vaarwel te zeggen. Het is allemaal zo plotseling en zo snel gegaan.

Van hippe dertiger met een vrij leventje naar een afgetobde alleenstaande mama die met de baby aan de borst de ‘Kinderen geen bezwaar’-advertenties zit door te nemen. Als ze daar al de tijd voor heeft. En hoe moet dat met mijn werk en met mijn sociale leven. Zal ik ooit nog de deur uitkomen? Ja, in een oude joggingbroek en met vet slierterig haar, zeker.

Ik kijk rond en besef dat ik weinig keuze heb. Natuurlijk kan ik het alleen, alles kan, maar ik wil het niet alleen. Ik wil Mick. Mick is de vader van mijn kind. Ik hou van Mick. Een alternatief kan ik ook niet bedenken. Mick kan onmogelijk hier intrekken en om nou een heel nieuw huis te moeten zoeken… daar moet ik ook even niet aan denken.

“Dat lelijke leren bankstel moet wel meteen de deur uit,” mompel ik, denkend aan Mick’s vrijgezellige interieur. “En dat dartsbord ruk ik van de muur en dat tafelvoetbalspel moet ook verdwijnen.” Ik zucht eens diep en kijk mijn helemaal naar mijn smaak ingerichte woon/slaapkamer rond. Oeps daar zijn de tranen weer. Afscheid nemen doet altijd pijn. Dat is een feit.

Dan gaat de bel. Echt niet dat ik open ga doen met die huilogen en die knalrode neus. De bel gaat nog eens, en nog eens. En dan wordt er op de deur geklopt. “Max, Max! Ik weet dat je er bent. Doe eens open. Ik ben het. Ik wil graag even met je praten.”

—Wordt vervolgd—