Een Vrolijke date

geroosterde venkel

“Keer om alstublieft.”

“Keer om? Hoezo? Dan kom ik niet bij de snelweg.”
“Misschien weet ze een kortere weg?”
“Echt niet, wiens stad is dit? Van mij of van die doos?”

(…)

We zijn onderweg naar een eetdate in Amsterdam. Een routeplanner moet de gebruikelijke Aaaargh-10-stress dit keer voorkomen. Nadat ik bijna de bocht uitvlieg omdat ik ondertussen aan het apparaat zit te prutsen, krijg ik een knopjesverbod van vriendin N. Gelukkig geeft het display al snel de juiste bestemming aan. We rijden inmiddels op de Aaaargh1.

“Indien mogelijk, keer om.”

“Nog steeds? Heb je per ongeluk de verkeerde bestemming ingevoerd, N.? Dat ze ons nu naar huis wil hebben of zo?”
“Nee. Misschien denkt ze dat we over de Aaaargh27 moeten?”
“Zo dom zal ze toch niet zijn? Alhoewel, het is wel een vrouw. Ik geloof dat ik toch meer vertrouwen in de aanwijzingen zou hebben, als ik een mannenstem zou horen.”

Tot aan de ring blijft ze ons bij elke afrit de snelweg afpushen. Pas als we daadwerkelijk de ring verlaten (“Nou, laten we maar eens doen wat ze zegt dan.”) pikt ze ons weer op. We volgen de aanwijzigen en rijden zonder problemen naar de – bijzonder krappe – parkeergarage. (Vriendin N.: “Kunnen ze er niet een speciale inparkeermodule voor vrouwen bijleveren?”)

Tijdens het Vrolijke etentje verwonderen vriendin N. en ik ons nog steeds over het rare routesysteem. “Een vrouw met een Limburgs accent, die ons door Amsterdam loodst,” denkt N. hardop, “dat slaat natuurlijk ook nergens op. Ze zouden op zijn minst het accent aan de plaats kunnen aanpassen.“Keik ûit! in Den Haag”, roept iemand. “Goat hier bij Uttereg regsáááf” klinkt het twee stoelen verder.

(…)

“Keer om alstublieft.”

Het is inmiddels tegen tweeen en we zijn op de terugweg. Weer worden we de hele Aaargh10 en Aaargh1 lastiggevallen met dwingende verzoeken om om te keren en/of af te slaan. “Het lijkt wel of ze een hekel heeft aan de snelweg.” roept N. “Rijden we soms achteruit zonder dat we het weten?” opper ik.

“Dat routeding deed heel raar op de snelweg,” zeg ik, als ik tegen drieën mijn bed inrol. “O ja,” mompelt Paul slaperig, “ik heb in de spits gereden. Hij staat op snelweg vermijden.”