Achtentachtig Allemachtig Prachtig

‘Welkom bij de perfecte plek om de helft van je geld te spenderen.’ Breed glimlachend wijst de Egyptenaar naar zijn schappen vol gammele waterpijpen, glimmende mummiebeeldjes en andere prullaria. ‘Maar de helft?’, schateren we over onze schouder.

Muisjes in een kattenasiel
Misschien komt het doordat toeristen na de revolutie Egypte massaal de rug toe hebben gekeerd. Of misschien is het nooit anders geweest. Maar wandelend door Cairo voelen we ons twee vetgemeste muisjes trippelend door een asiel vol uitgehongerde katten. Overal wil iemand iets van je. Zo maken we op dag één de standaard fout door een man die ons aanspreekt te vertellen dat we op zoek zijn naar een bepaald hotel. ‘Ah, ik weet een veel betere plek’, springt hij erop in en het kost ons zeker tien minuten om de lastpak weer van ons af te schudden.

You want money?
Een pindaverkoper in Islamitische Cairo slaagt er iets minder goed in om zijn gedachten voor zich te houden. ‘You want some money, euh peanuts?’, roept hij waarop hij blozend een hand voor zijn mond slaat en volgens mij het liefst achter zijn karretje vol zonnepitten zou willen kruipen. Als we even op onze kaart spieken, horen we achter ons; ‘You have to go in this direction’. Naïef kijken we op, recht in de grijns van een Egyptenaar die naar de ingang van zijn winkel wijst.

Estland
En hoewel het de wangen van ‘bedenker’ Evert ten Napel vast doet glimmen, geeft het ons acute huiduitslag dat elke straatverkoper en taxichauffeur hier schaterend ‘Achtentachtig Allemachtig Prachtig’ uitroept, op het moment dat ze erachter komen waar we vandaan komen. Via expats horen we dat Egyptenaren voor vrijwel elke nationaliteit een standaard zinnetje hebben. Zo worden de Canadezen om de oren geslagen met één van hun nationale whiskymerken en gaat het bij de Engelsen altijd over hun voetballers. Probeer ‘Estland’, is hun enige tip.

Amsterdam-West
En dit blijkt inderdaad verbluffend goed te werken. De eerste straatverkoper druipt teleurgesteld af, de tweede blijft nadenkend achter en de derde mompelt alleen ‘Estonia number one, Egypt number two’. Maar eenmaal in de taxi gaat het fout. ‘Estland, waar ligt dat? En welke taal spreken jullie dan? En hoeveel mensen wonen er? En wat voor staatsvorm heeft jullie land? ’ Hakkelend verzinnen we wat antwoorden maar hebben er na vijf minuten genoeg van en geven geïrriteerd toe uit Nederland te komen. ‘Aaah, Holanda!! Achtentachtig allemachtig prachtig!, schalt het wederom door de witte Lada waarna we overstelpt worden met een stortvloed aan anekdotes over Amsterdam-West waar de taxichauffeur twee jaar als shoarmaverkoper heeft gewoond en van zijn Surinaamse buren Engels heeft geleerd.

De gewiekste muezzin
Als we onze staan te verbazen over de imposante Sultan moskee, en er het minst op bedacht zijn, lopen we onbewust de gewiekste schooier van de stad tegen het lijf. Hij vertelt de muezzin, de oproeper voor het gebed, te zijn en wil ons de imposante minaretten laten zien. Opgewonden lopen we achter hem aan, denkend dat we tegen een gouden kans zijn aangelopen. Eenmaal bij de trap staat de ‘conciërge’ van de moskee echter al met opgeheven handje klaar. Schoorvoetend duwen we hem wat ponden in de hand en krijgen boven van de muezzin direct een uitbrander omdat we eerlijk waren geweest over dat we geen student meer zijn. ‘Fout! Je moet gewoon zeggen dat je studentenkaart in je hotel ligt’, brengt hij ons in een minutenlange preek aan ons verstand. Over het dak wandelen vertelt hij niet langer zelf de oproep te doen maar te mogen bepalen welke muezzins-in-opleiding slagen of niet. ‘Maar ook al zingen ze vals, ik keur iedereen goed. Anders zouden ze zonder werk komen te zitten en dat zou toch tragisch zijn.’ Met een serieuze blik knik ik, maar van binnen grinnik ik, opeens begrijpend waarom Cairo zoveel vals zingende muezzins rijk is. Als we de trap weer afdalen, staat dit keer de muezzin ons zelf op te wachten, wederom met het welbekende opgeheven handje…