Alle mannen zijn eikels

Twaalf maanden geleden was ik dolgelukkig met mijn nieuwe vrijgezelle-ik. Ik dronk teveel wijn om het te ‘vieren’ en mijn vriendin steunde mij daarin, zoals altijd. Steunen neemt zij heel serieus.

“Alle mannen zijn eikels, proost!” En we lalden wat over de barmannen. De ene haar ex en dus een eikel en de andere had een arrogante kop en dus ook een eikel.

En toen stond hij daar. De man die ik inmiddels, heel cliché, de liefde van mijn leven noem. Waarop mijn moeder ooit zei: “De ene liefde van je leven is nog niet de deur uit of je hebt al weer een andere liefde van je leven.”

Geen idee wat ‘ie’ zei, die knappe vent. Maar ik nam ‘m tegen al mijn principes in – ik ben normaal gesproken heel principieel – direct mee naar huis. Ik was even vergeten dat ik nog bij mijn moeder woonde. En daar zaten we dan, in een Twingo te tongworstelen voor mijn ouderlijk huis.

En ik schaamde me niet. Ik schaamde me niet voor mijn niet-bij-elkaar-passende setje en niet voor mijn vuilnisbak op wielen. Ik schaamde me niet voor mijn ongewassen haar, uitgelopen mascara dat er toevallig nog zat van de dag ervoor, niet voor die ene tatoeage waar ik altijd spijt van heb gehad, vanaf het moment dat de naald in mijn huid prikte. Ik schaamde me niet voor mijn net iets te kleine borsten en niet voor mijn wenkbrauwen die ik iedere ochtend op mijn voorhoofd schets. Niet voor mijn gulp die blijkbaar al geruime tijd open stond en niet voor het huishoudelijke elastiekje dat mijn haar bij elkaar probeerde te houden.

Ik was mezelf en hij vond mij leuk. Hij wilde afspreken, ik wilde ‘vrienden blijven’. Hij dacht aan koffie bij de Hema – ik dacht er over na.
De volgende dag sliepen we samen, zonder ook maar een stap in de Hema te hebben gezet.