Alles en niets

‘Ik begrijp niets van het leven.’ Zoon omklemt stevig zijn fietsstuur.
De voeten gaan rond. Het hoofd komt op gang.
‘Och, jongen toch…’
‘Echt. Ik denk er vaak genoeg over na. Waar komt alles vandaan?
Hoe is het begonnen? Met een stofje? Dat is een ietsje. Niet niets.-’

Futiliteiten
Aha, denk ik. Daarom reageert hij meestal niet als ik iets prozaïsch van hem wil.
Tanden poetsen. Veters strikken. Oppervlakkige futiliteiten, terwijl hij peinst over de oorsprong van het heelal.

Ei
‘-Bomen, sterren, vogels, mensen. Hoe kon er eerst niets zijn?
En toen, ja, dat allemaal?
Misschien heeft God er iets mee te maken.
Maar hoe begon God? Uit een ei gekropen?-’ Hij grijnst even bij het idee.
‘-Trouwens, een ei komt ook niet zomaar uit de lucht vallen.
Dat zou niet handig wezen. Flats. Op je hoofd.’
Zoon maakt een slinger met zijn fiets. Alsof hij er één ontwijken moet.

Zeker
‘Kom je er verder mee, door zo hard en lang na te denken?’ vraag ik hem.
‘Niet echt,’ klinkt het mismoedig.
‘Hordes wetenschappers breken hun hoofd over jouw vraag. Ze verzinnen een theorie en broeden er eindeloos op, om te bewijzen dat het zo ging.’
‘Weten ze het dan zeker?’
‘Hoe langer je studeert, des te meer kom je erachter dat niets echt zeker is.
Er komt altijd een punt waarop je iets aan moet nemen. Geloven, dus.
Zonder dat je het helemaal zeker weet. Lijkt je dat een mooi vak?
Wetenschapper? Filosoof?’

‘Nee. … Ik word liever buschauffeur.
Lekker rijden.’