Bijna gestikt

Ik lig in het ziekenhuis. Ik blijk zomaar iets gevaarlijks te hebben. Nu lig ik op een heel enerverend slaapzaaltje tussen drie reutelende bejaarden.

Help! Ik kan niet slikken
De dag na Kerst slik ik een antibioticapil door tegen mijn hardnekkige keelontsteking. Halverwege mijn keel blijft hij steken. Ik krijg het benauwd en voel een golf misselijkheid opkomen. Met paniekerige handgebaren trek ik P. uit bed mee naar de badkamer. “Die pil zit vast,” piep ik huilend. Wat is dit eng! Uiteindelijk komt het kreng na veel water drinken weer los uit mijn keel.

Joehoe, ik ben onmisbaahaar!
Ik loop al het hele najaar te kwakkelen. December is een gekkenhuis met een verbouwing van de keuken, twee non-stop zieke peuters, slapeloze nachten en P. die zich helemaal achterover toert. Ik kan het maar net bijbenen: de koortsige kinderen verzorgen, het huishouden draaien en de verbouwing regelen. Als het ’s avonds eindelijk stil en opgeruimd is, kruip ik achter de computer om aan mijn eigen werk te beginnen.

Tranen
De dokter heeft aan één blik genoeg: ik heb een dikke rode nek en kan nauwelijks meer praten en slikken. Er volgt een bloedonderzoek en ik glijd vastgebonden in zo’n claustro-scanapparaat. Daarna duwt een stoïcijnse arts met ferme hand een slangetje met daaraan een camera door mijn neus naar mijn keel. “Kleine neusgaatjes,” stelt hij opgewekt wrikkend vast. Ondertussen knijp ik P.’s hand aan gort en breng ik een soort medley van dierengeluiden uit. Ik voel me klote. De tranen stromen over mijn wangen.

Enge ontsteking
“Je hebt een flinke ontsteking,” zegt de arts. Op de scans wijst hij aan waarom het slikken en praten zo moeizaam gaat: de zwelling drukt mijn slokdarm en luchtpijp dicht. “Een ontsteking zo diep in je keel is gevaarlijk, omdat je kunt stikken,” zegt hij. Oorzaak? Lage weerstand, stress en oververmoeidheid. Ik slik. Oen dat ik er ben. “We gaan je direct opnemen.” Ik krijg een infuus met antibiotica voor paarden en een soort Prednison tegen de zwelling. Mijn schoonouders kunnen gelukkig de kindjes opvangen, want P. moet nog optreden.

Poep met brokken
Mijn roomies op leeftijd hoesten grote brokken slijm op, ze snurken, zijn doof en alledrie hartstikke ziek. Terwijl ik dit schrijf krijgt mijn buuf op links een klysma. De zuster: “Ja-ha me-vrouw, we doen met-een een flin-ke diep-e. Dat kan even akelig zijn, maar we verwachten dat er heel wat dwars zit.” Het besje antwoordt: “Hè, wat zég je?” Ze zal zo haar hele darminhoud op een krappe twee meter afstand van mijn bed in de po-stoel storten. Achter een gordijntje, dat dan weer wel.
Ach, die oude mensen. De onmacht van het slecht horen. De afhankelijkheid. De gêne van een ongelukje tussen de lakens, inclusief luft en knetters. “O jee, zúster help!” Oud zijn lijkt mij op deze manier een hele klus.

In de kast
Maar na één doorwaakte nacht tussen driestemmig gesnurk, alarmerende infuuspompen, gerochel en natte winden, heb ik mij de afgelopen twee nachten mooi met bed en al in een opslaghok laten parkeren. Tussen de verhuisdozen en oude computers heb ik eindelijk wat geslapen. De zwelling is vandaag zover geslonken, dat het gevaar om te stikken voorbij is. Daarom mag ik vannacht mét een slaappil de bezemkast in. Hopelijk ga ik lekker knock-out, ik kan niet wachten.

CC foto: eigen bezit