Blog Lisette: Avontuurtje in de parkeergarage

‘Oké, ik kan dus gewoon de betaalautomaat niet vinden,’ app ik naar Lisje B. Ik sta in de parkeergarage waar mijn autootje uren geleden netjes in een vak heb geprakt.

‘Waar je naar binnen komt staat toch altijd een automaat?’ stuurt ze terug.
‘Nou, nee. En bij alle andere uitgangen aan deze kant van de garage ook niet.’
Ik kijk om me heen in de inmiddels bijna verlaten parkeergarage. Het getik van mijn hakken weergalmt spookachtig tegen de grijze muren. Voor zover ik kan zien, strekt deze garage zich nog honderden meters ver uit. Er is in geen velden of wegen meer een levende ziel te bekennen.
Ik geloof dat ik een klein probleempje heb.

Ergens naast een andere auto

Parkeergarages zijn niet mijn favoriete plekken op aarde. Maar goed, er moet ook wel echt behoorlijk wat mis zijn met je voordat je een parkeergarage de ultieme place to be vindt. Niet alleen stinken ze naar uitlaatgassen, maar daarnaast moet je ook nog moeite doen om niet een stuk van je autolak achter te laten op palen, randen en andere lastige uitsteeksels. In die bedompte parkeergraftombes raak ik mijn toch al beroerde gevoel voor richting compleet kwijt. O, en ik vergeet altijd te onthouden in welk vak of op welke verdieping ik sta. Geloof me: ‘Naast die blauwe auto, in de buurt van een paal’, is het slechtste oriëntatiepunt dat je kunt bedenken.

Op sleeptouw

De automatische deur zoemt open en tot mijn wanhopige blijdschap wandelt er een man in een net pak de garage binnen. Ik vlieg op hem af. ‘Meneer, weet u misschien waar ik kan betalen?’
Hij kijkt me verbaasd aan. Snel licht ik toe: ‘Ik heb al bij alle uitgangen aan deze kant gekeken en daar kon ik geen automaat vinden.’
‘Rij maar achter mij aan, je kunt bij de uitgang betalen,’ antwoordt de aardige vreemdeling. Mijn redder in nood. Mijn enigszins pokdalige prins in de gigantische zwarte Volvo. Mijn… O, hij stapt in. Ik trek een sprintje naar mijn auto omdat ik besef dat ik hem in dit doolhof van palen en schemerige parkeervakken binnen no-time uit het oog kan verliezen.
Wat natuurlijk ook gebeurt.

Opgerotte ridder

Ik roep iets heel lelijks tegen mijn auto als hij afslaat bij het achteruit rijden. Dan pas besef ik dat ik de handrem er nog op heb. Als ik mezelf uit het parkeervak heb gedraaid, is de glanzende zwarte auto in geen velden of wegen meer te bekennen.
Ik weiger me uit het veld te laten slaan en rijd naar de uitgang. De helft van de garage wordt geverfd, dus ik moet een kleine omweg nemen van slechts zeshonderd kilometer. Gelukkig arriveer ik precies bij de uitgang op dat punt waarop de rij bestaat uit één auto, maar zodra ik ben aangesloten groeit het aantal wachtenden achter mij ineens gestaag. Ik steek mijn kaartje in de gleuf en zoek ondertussen naar de plek waar mijn pinpas in moet.
O.

Mini-moeilijkheden

Volgens het scherm moet ik éérst betalen voordat ik kan uitrijden.
Ik kijk achter me en mijn euforie van twintig seconden geleden slaat abrupt om in vertwijfeling. De hele rij auto’s moet een stuk opschuiven voordat ik hier weg kan. Als op mijn auto de witte achteruitrijlamp aanflitst, kijkt de verzorgde vrouw in de Mini achter me alsof ik zojuist in haar tas gepoept heb. ‘Sorry!’ playback ik in de achteruitkijkspiegel.

Laatste obstakel

Ik vork mijn auto uit de rij en laat hem scheef geparkeerd achter in een vak vlakbij de betaalautomaten (eindelijk!). Netjes betaald, kaartje mee, portemonnee mee. Ik start de motor en maak me na deze drie kwartier vertraging eindelijk op voor het verlaten van deze godvergeten ondergrondse martelzaal. Het enige obstakel is dat de uitgang van dit vak is afgesloten in verband met die verfwerkzaamheden, zodat ik via de heenweg weer terug moet. Nou ja, dat kan ik ook nog wel aan. Het is immers geen probleem meer, als je het in het grote geheel…
-KKKGGGGGGG-

Randvoorwaarden

Ik trap op de rem. De linkerkant van mijn auto is iets omhoog gekomen. Verbaasd kijk ik opzij.
O, hier zit natuurlijk een verhoogde rand. Oeps.
Ik zet de auto in zijn achteruit en KKKGGGGGG langzaam terug. Na een snelle inspectie concludeer ik dat de voorkant nog in prima staat verkeert (lang leve een auto die zo’n beetje helemaal uit plastic bestaat) en sluit ik aan in de rij voor de uitgang.
De gleuf slurpt gulzig het kaartje naar binnen en dan – halleluja! – gaat de slagboom omhoog.

Weet je wat? Ik moest maar weer eens een tijdje met de trein gaan reizen.

Beeld: Jesse Kruger