Fleur: ‘Ineens zat ik daar, stil op de bank, vanbinnen heel zwart te worden’

VIVA-journalist Fleur Meijer (38) schrijft over wat haar zoal bezighoudt

En toen, op een moment dat ik het uiteindelijk toch niet verwachtte, verzamelde zich rond mijn hoofd een wolk donkere materie die zich samenperste en ineens – póef – naar binnen schoot. En die me koortsachtig deed zoeken naar mijn lightsaber; waar was ie, waar had ik ’m ook alweer gelaten, nee, toe, niet nu, ga weg alsjeblieft. Ik had de dag ervoor de nieuwe Star wars in de bioscoop gezien, dus vergeef me deze metaforen. Misschien had een en ander wel met elkaar te maken, bedenk ik me nu, want ik vond het een slappe, zelfs uiterst vervelende film, waar ik uit kwam met een heel slecht humeur. Buiten was het toen alweer donker geworden. Al dat donker. Het enige wat januari te bieden heeft. En toch gebruiken mensen uitgerekend deze maand om zich de aardse pleziertjes te ontzeggen die januari draaglijk maken. Ontgift moet er worden, bouwstenen gelegd, alles om dit jaar een beter, gezonder en geslaagder mens te worden. Het wil niet echt lukken, geloof ik. Ik passeerde volle kroegen, met daarin mensen die, ik wist het zeker, hun glas omhoog hielden, al grappend over dry january, dry gin en droge witte wijn. Ik ging niet naar binnen. Ik wilde echt een beter, gezonder en geslaagder mens worden.

‘Het lukt je toch niet, hoorde ik’

Wíl! Maar ik had even buiten de donkere materie gerekend. Hij kwam uit de grauwe atmosfeer en waaide via kale takken zó door het kattenluik. En ineens zat ik daar, stil op de bank, vanbinnen even heel zwart te worden. Alles wat ik de afgelopen tijd had verzameld – nieuwe plannen, horizonten, vergezichten, moed, durf – weg, weg, allemaal weg. Het lukt je toch niet, hoorde ik.
Je bent niet goed, nooit geweest ook, kijk jezelf nou zitten. Ik hoorde nog veel meer, maar ik wil niet eens probéren dat in woorden te vangen. Dus ik zat daar maar een tijdje, gevangen in het donker, zoekend naar dat stomme licht, want ik had het ergens, echt, ondanks dat ik hoorde dat ik mezelf voor de gek aan het houden was. Ik begon maar eens een potje te huilen. Het kattenluik klepperde opnieuw, maar nu vergezeld door het vertrouwde getik van nageltjes op de vloer en gemauw dat, ik zou het zweren, bezórgd klonk. Daar zat hij al naast me, zijn grote blauwe ogen naar
me opgericht. Ik strekte mijn arm uit, die hij luid spinnend kopjes begon te geven. ‘Wat scheelt eraan, vrouw?’ zei hij.‘Ik weet het niet precies,’ snikte ik. ‘Alles?’ ‘Nou, nou,’ zei hij. ‘Dat is een hoop. Is die man soms bij je weg? Ik zie hem hier niet.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Die is gewoon naar zijn werk.’‘Vindt hij je niet meer leuk?’
‘Hoezo? Ja. Ja, gelukkig wel.’‘Ga je dan dood?’
‘Nee, jezus, ik hoop het niet.’ Hij gaf nog wat kopjes.
‘Nou dan. Wacht, ik heb iets om je op te vrolijken.’ En daar verscheen het, recht voor mijn neus, fier en stralend.
‘Kijk! Mijn anus!’ Het is waar, dacht ik. Licht vind je soms op de raarste plekken.

Fleurs column is afkomstig uit VIVA 04-2020. Deze editie ligt t/m 29 januari in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«