Column Fleur: ‘Op een terras in de zon keek ik hem aan en zei: ‘ik wil hier wonen’

Het lot, opgejaagd door innerlijke onrust, natte ramen, harde windvlagen en kale takken, deed ons één verhit googelrondje twee dagen later in Valencia belanden. Het eerste wat ik zag toen ik de metro uitkwam: de zon. Het tweede: sinaasappels. Sinaasappels aan bomen. Midden in de stad. Het eerste wat ik dus deed: een sinaasappel plukken. Ik stopte hem in mijn tas. ‘Voor thuis,’ zei ik.

In de uren en dagen daarna dwaalden de Kameel en ik door de smalle straten, langs weelderige pleinen en fonteinen, terwijl uit elke windstreek kerken en kathedralen goedkeurend op ons neerkeken in het poëtische zonlicht, af en aan hun schaduw werpend op die twee Hollanders die maar niet konden ophouden te zeggen hoe blij ze waren dat ze hier terecht waren gekomen en niet ergens anders. Goddelijke interventie, zo voelde het. En dat kon ook best trouwens. Valencia had immers de enige echte Heilige Graal in een kerknis staan. Ik had er een tijdje eerbiedig naar staan kijken en overwogen om te beginnen met geloven.

We zaten op terrassen. Gegrilde inktvis en gefrituurde artisjokken, bergen schelpen met knoflook, pan con tomate, paella met konijn. Een grote kan Agua de Valencia erbij, waar geruststellend weinig water aan te pas kwam, maar des te meer wodka, cava, gin en sinaasappelsap. Natuurlijk ook sinaasappelsap. Het was na weer een van die kannen, op weer een terras in weer die zon, dat ik de Kameel aankeek en zei: ‘Ik wil hier wonen.’
En dat hij zei: ‘Ik ook.’ En dat we het méénden.

Kijk, we hadden natuurlijk, wie doet dat niet op vakantie, allang in etalages van makelaars getuurd en geconstateerd dat het helemaal niet duur is hier, zo’n pandje. Dat je in Valencia tenminste nog waar voor je geld kreeg. En wat stonden er fantastische opknappertjes, midden in het historische centrum. ‘Als we nou zóiets eens konden verbouwen,’ wees ik. Ik zag een binnentuin voor me met citrusbomen, een dakterras, en een grote open keuken met een rits koperen pannetjes aan de muur waarin ik elke dag iets lekkers ging koken. De mercat was immers om de hoek.

De Kameel vond het een uitstekend idee. ‘Jij kunt sowieso overal werken. En ik heb een contact in Madrid, die zal ik eens bellen.’ Het grootste probleem, we moesten natuurlijk wel even realistisch blijven, was de taal. We hadden vaak genoeg met de vuist in de mond naar Ik vertrek gekeken om te weten dat dit een vereiste was. ‘We gaan gewoon naar de nonnen in Vught!’ riep ik. ‘Linda de Mol en Frans Bauer hebben daar in een maand vloeiend Duits geleerd. En wij hebben sowieso een talenknobbel.’

‘Ik denk dat de katten het hier ook leuk vinden,’ zei de Kameel. ‘En dan krijgen we Spaans sprekende kinderen.’

We namen afscheid van Valencia met de belofte heel snel terug te komen, misschien over een paar maanden al.

Thuis wachtten, zoals dat gaat, de deadlines, de btw-aangifte, de katten, de vrienden, de ontnuchtering, het besef dat het vanzelf weer zomer wordt.

En de sinaasappel?
Zuur.
Tóch vond ik ’m lekker.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA. Deze column komt uit VIVA 5.

Lees meer columns van Fleur:

Gilles de la courgettesoep
Dronken
Carb lover
Verdriet
Zindelijk worden
Escape room
Pop-a-holic
Haarlem
De kluts kwijt zijn
geboortekaartjesetiquette
waarneembare hersenactiviteit
O-o-o mannetjes
Activisten
Kinderboekenwinkels
Buurtfacebookgroep