De kopie-utopie

geen

Het is dinsdagmiddag en twee Nederlanders gaan op de foto, zittend in supergrote klompen. Vlakbij bevindt zich een replica van de Domtoren. Wat is hier de grap? Ze zijn niet in Madurodam, maar in Japan.

Huis ten Bosch is een themapark nabij Nagasaki, in het zuiden van Japan. Het bevat onder meer een Amsterdam CS (hierin is een hotel gevestigd met de naam Okura), een binnenstad van Amsterdam (die van bovenaf gezien dezelfde vorm heeft), een Domtoren met een lift naar de top, uiteraard een één op één kopie van Huis ten Bosch, en verder gewoon heel veel tulpen, kaas en molens.

Slechts één ding hebben ze wat minder: bezoekers. Het kan liggen aan het ongelooflijke formaat van het park, dat twee keer zo groot schijnt te zijn als Tokio Disneyland, maar wij kregen af en toe het gevoel dat er meer personeel was dan publiek. Een grote tent waar een voorstelling gehouden wordt voor maar tien toeschouwers. Een attractie waarvoor de wachtlijn staat opgesteld, maar de medewerker knikt je toe en gebaart: sla die maar over. Een mevrouw die ons eerst vrolijk rondjes laat draaien in een verder lege carrousel en daarna, als ze ziet dat we een foto willen maken van die grote klompen, aanbiedt om het voor ons te doen. Ze heeft toch niks anders omhanden.

Hoe dit park kon ontstaan
Eind jaren tachtig, toen Huis ten Bosch op de tekentafel lag, waren de nadagen van de Japanse Bubbel. Alles kon; de economische bomen groeiden tot in de hemel. En Holland Village – een simpeler themapark een paar kilometer verderop – was zo succesvol dat investeerders verwachtten dat een miljardenproject als Huis ten Bosch zichzelf ook wel zou terugverdienen. Het moest een park worden voor volwassenen, een manier om te ervaren hoe Nederland eruitziet zonder de lange reis te hoeven maken. Er werden hotels, koopvilla’s (dit deel van het park heet Wassenaar), winkels, restaurants en expositieruimtes gebouwd, allemaal van Nederlandse rode bakstenen. De bedoeling was dat mensen hier hun vrije tijd zouden doorbrengen in ‘hun eigen utopie’ – een leus die nog steeds op de tasjes staat die je krijgt als je hier iets koopt.

In de beginjaren lukte dat. Japanners kwamen massaal naar Huis ten Bosch en genoten van de prachtig aangelegde bloemenvelden en de werkelijk subliem nagemaakte Nederlandse bezienswaardigheden. Tot de bubbel barstte. Ineens was Kyushu – het zuidelijke eiland – voor de inwoners van Tokio en Osaka een wel erg verre reis. En de hotelprijzen in Huis ten Bosch zijn ook al niet mals. Een weekend Huis ten Bosch is voor Japanners net zo duur als een reis naar Hawaii, naar het schijnt. Het park ging failliet in 2003 en bleef wel open, maar op een laag pitje. Pas in 2010 werd een nieuwe investeerder gevonden. Eindelijk, een kans om de utopie te doen herleven.

Mangafiguren en tulpenzeeën
Maar op een doordeweekse lentedag is dat gevoel ver te zoeken. Jazeker, het park ziet er idyllisch uit; mooier dan Nederland ooit gedaan heeft. En af en toe waan je je echt in een Nederlands dorpje. Tot je stuit op een van de vele mangafiguren die je nu in het park ziet, in een poging om meer bezoekers te trekken. Dan realiseer je je dat de glimlachende medewerkers, de tulpenzeeën en de rode bakstenen zich vasthouden aan een utopie die niet meer bestaat. En bloedt je hart, niet om je eigen eergevoel als Nederlander, maar om al die mensen die tegen de klippen op zo hun best doen om Huis ten Bosch te laten voortbestaan.