Doei lieve Sam

Diep van binnen hoop ik dat de dierenarts zegt: ‘Och, ik zie dat het apparaat helemaal van slag was gisteren. Er is niets aan de hand met jullie hond!’ en dat we er dan om lachen en met z’n allen, terwijl Sam vrolijk kwispelend om ons heen dartelt. Want kwispelen, dat doet ze nog. Eten en drinken niet meer.

Even oud als mijn zusje
Het duurt nu al vier dagen. Vier lange, slepende dagen vol dierenartsbezoeken, angst en telefoontjes. Vier dagen lang een gang vol poep, pies en kots. Dan belt mam op dinsdagavond. Het gaat niet meer. ‘Morgenochtend laten we haar inslapen.’
Het moest natuurlijk een keer gebeuren, maar Sam is even oud als mijn zusje. Het voelt alsof we een gezinslid laten gaan.

Sam

Sterfsjaaltje
Als je een hond neemt, weet je dat hij korter leeft dan jij. Dat het verdriet onvermijdelijk is. Waarom kiezen we er dan toch voor? Ik vraag me af of het het waard is terwijl we de laatste rit naar de dierenarts maken. Sam zit blij en hijgend achterin, met zoals elke dag een gekleurd sjaaltje om haar nek. Vanochtend hebben we het uitgekozen en het met een wrange glimlach omgedoopt tot haar sterfsjaaltje. Het is geel en zonnig en bijna net zo opgewekt als Sam zelf. Er is geen dag geweest waarop ze niet vrolijk was. Ja, denk ik, ruim twaalf jaar blijheid zijn dit verdriet absoluut waard.

Schijt aan ons
‘Dag Sam,’ zegt de dierenarts als we binnenkomen. Hij schenkt ons een meelevende blik. ‘Kom maar mee.’
We aaien haar terwijl ze in slaap zakt. Zachtjes begint ze te snurken en ik besef dat ik haar net voor het laatst wakker heb gezien. Het gesnurk wordt harder. Een bekend geluid.
Dan vult de geur van rottende eieren de witte ruimte. Frank kijkt ons gealarmeerd aan. ‘Dit ben ik niet, hoor.’
De schuldige ligt diep in dromenland op de vloer te ronken. Haar wang bolt op terwijl ze haar adem uitblaast, zich van geen kwaad bewust. Ze laat ons op het laatste moment nog een poepie ruiken.

Afgelopen
De dierenarts scheert haar pootje en zoekt een ader. Mijn keel zit in een bankschroef. Dan glijdt de naald naar binnen. De inhoud verdwijnt binnen een paar seconden in Sams ader en we wachten met ingehouden adem tot het spul zijn dodelijke werk doet. Ze haalt nog adem: één, twee, drie, vier keer. Dan een laatste keer heel diep – en haar borstkas blijft stil. Ik merk pas dat ik mijn adem ook inhoud als ik sterretjes begin te zien. De dierenarts luistert naar haar hart en knikt dan. Hij steekt zijn hand uit naar mijn moeder. ‘Gecondoleerd.’

Voordat hij ons even alleen laat, vraagt hij: ‘Willen jullie een kop koffie?’
‘Heb je er ook cake bij?’ vraag ik.

Oeps
Als het tijd is om te gaan, lopen we wat stuntelig naar buiten, achteromkijkend naar onze hond. Het is net of ze slaapt. Ik verwacht half dat ze bij het horen van het woord ‘wandelen’ haar oude lijf weer met schokkerige bewegingen omhoog hijst.

Mam laat de deur uit haar handen glippen en hij komt met een doffe ‘pok’ tegen Sams kop aan.
‘O jee,’ zegt mam geschrokken.
Ik leg een hand op haar arm en geef een zacht kneepje. ‘Ze is toch al dood.’
Het werkt niet geruststellend.