Eierstokken ter hoogte van je strottenhoofd

geen

Niet knijpen. Niet knijpen. Wat je ook doet, niet in je stuur knijpen.

Oh hallo eierstokken
Mijn broer had het me een dag van tevoren nog ge-sms’t. Je doet het automatisch, omdat je op zoek bent naar een beetje houvast wanneer je hele wereld door elkaar wordt geschud. Maar niet doen. Een dag later zul je zoveel pijn in je gewrichten hebben dat je nog geen dop van een tube tandpasta kunt draaien.

Maar zodra ik de eerste kasseienstrook op fietste, was het nog knap lastig om me aan het gebod van mijn broer te houden. Mijn ferme achterwerk drilde van mijn zadel. Mijn stuur sprong onder mijn handen vandaan. Het voelde alsof mijn eierstokken inmiddels al bij mijn strottenhoofd zaten. Zelfs mijn gedachten werden in mijn hoofd door elkaar gehusseld.

De Hoogmis
Dit was de Ronde van Vlaanderen. Dit was de Hoogmis, de koers waar wielerminnaars maanden naar uit kijken. Vlaanderen is warme worst langs het parcours, speciaalbier, een waterig zonnetje, een grauw landschap, historische beklimmingen en kasseien. Veel kasseien.

En die kasseien, daar kun je je geen voorstellingen van maken. Wij Nederlanders zijn gewend aan perfecte wegen. Aan zwart, glimmend asfalt, zover het oog reikt. Elke weg is hier beredeneerd. Elk dorp krijgt de rotonde die het verdient.

Zo niet in Vlaanderen. Daar houden ze de hellingen het liefst zo onbegaanbaar mogelijk. Zodat je met je racefiets die historische wegen kunt befietsen. De kasseien liggen schots en scheef. Als het regent, slip je makkelijk weg. Als je bij het klimmen grip wilt houden, zak je in een geultje en kom je nog niet verder.

Courage!
Dat deed ik, vorige week zaterdag. Met duizenden anderen. 135 kilometer lang. Bij elk bevoorradingspunt schrokte ik drie of vier repen naar binnen, zoveel energie raakte ik kwijt door die klote-kasseien. De mensen langs de kant riepen ‘courage!’ naar me, als ik met ontblote tanden me een weg naar boven gromde.

Dit was De Ronde en ik beleefde hem helemaal. Toen Tom ‘s avonds vroeg wat ik die dag het mooiste had gevonden, zei ik: het fietsen. Maar toen hij vroeg wat het stomste was geweest, zei ik dat ook. Fietsen is een verrukkelijke hel. Het is stoempen en afzien en honger en moe en naar huis willen, en tegelijkertijd is het jezelf overwinnen, met de wind door je haren doen wat je nooit voor mogelijk had gehouden.

De dag erna kreeg ik de dop bijna niet van de tandpastatube. Ook al had ik echt niet in mijn stuur geknepen.