Einde aan mijn hebzucht

Tegenover me zit een man, geelgerookte nicotinevingers. Hij schenkt zijn importbier over in een McDonald’s-beker en ruikt naar een medewerker van de Lucky Strike-fabriek. Hij glimlacht, ik betwijfel of er onder de tandplak – dat over zijn tandvlees gedrapeerd zit – daadwerkelijk tanden zitten. Zijn wangen zijn ingevallen, diepe oogkassen met donkere wallen. Hij frunnikt aan zijn verrafelde maatpak. Ooit had hij aanzien, ooit was hij gelukkig. Nu is er niets meer van hem over dan een bottig lichaam en een gehavende outfit. De diepe groeven in zijn gezicht symboliseren de misstap die hij heeft gemaakt.

Er bekruipt me een raar soort schuldgevoel. In mijn hoofd hoor ik mezelf klagen en zeuren over dingen die er eigenlijk niet meer zo erg toe doen, als je ziet hoe je er ook voor kunt staan in het leven. Het is wellicht een keuze van deze man, maar zijn onvrede verdrinken met bier is niet bepaald een teken van een gelukkig bestaan.

Terwijl ik me zorgen maak over een klein randje vet boven mijn broek, maakt hij zich misschien wel zorgen over hoe hij zijn huur gaat betalen of erger nog: waar hij slaapt die nacht. Ik loop te klagen over mijn huis dat nog niet af is, terwijl er mensen zijn wiens huis is verwoest en die momenteel hun familieleden aan het zoeken zijn onder het puin dat een grote tyfoon heeft achtergelaten. Ik loop te tieren over een zwarte pieten-discussie, terwijl er arme kindertjes in Nederland zijn die helemaal geen Sinterklaas kunnen vieren, geen jutezak met pakjes; geen schoencadeautje. Door mijn eigen hebzucht heb ik de armoe van een ander nooit gezien. Deze gedachte heeft geresulteerd in de behoefte om een keer iets voor een ander te doen. Daarom speelde ik deze week als hulpsintje en regelde ik een krat vóóól schoencadeautjes, voor de kinderen van de voedselbank. Waar een alcoholist in de trein al niet goed voor is geweest.

Bron beeld: thinkstock