Fleur: ‘De Kameel had nu zijn superieure rol als Geweten en die ging hij spelen ook’

VIVA-journalist Fleur Meijer (37) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

Bij het opendoen van mijn aangekoekte ogen, gevolgd door een tergend langzame opstijging van mijn stoffelijk omhulsel, daalde al net zo langzaam het besef in dat ik overleden was. Eeuwige Jachtvelden, pijp, Maarten, alles. Dat zijn grote woorden, zeker. Maar dit was het soort kater dat dramatische woorden en daden behoeft. Lang was hij weggeweest, maar nu was hij terug, sterker dan ooit: de theaterkater. Ik opende de eerste akte door zo hard te kreunen dat de Kameel de slaapkamer in kwam. ‘Dóód!,’ fluisterde ik. ‘Ik ben dóód.’

‘Gewoon éven m’n gezicht laten zien. Meer niet’

‘Jammer voor je,’ antwoordde hij met een scheef grijnsje, terwijl een brave dampkring van wasmiddel, tandpasta en eau de toilette mijn neusgaten binnendrong. Nu was híj ook niet meegegaan gisteren. En hij raadde mij aan dat ook niet te doen. Want dingen. Mijn nichtje dat vandaag afzwom. Waarop ik zei dat ik dat natuurlijk ook wel wist. En dat ik het dus niet laat ging maken. Gewoon éven m’n gezicht laten zien. Meer niet.
Enfin. Ik zette de sterfscène nog wat extra aan door mijn armen uit strekken, maar de Kameel had nu zijn superieure rol als Geweten en die ging hij spelen ook. ‘Geen medelijden’, zei hij. Ik piepte dat ik dat ook niet van hem vroeg, alleen dat hij erkénde dat ik er heel, héél erg aan toe was. Daarop liet ik me met donderend geraas uit bed vallen. ‘Ik erken het’, zei hij oogrollend. Onophoudelijk kreunend strompelde ik naar de keuken. Dronk met veel misbaar een glas water. En nog een. Verzamelde een handje vitaminepillen en klokte die weg als ware ik Marilyn Monroe in haar laatste levensdagen.

‘Een mascararoller voelde al te zwaar’

De Kameel opperde dat ik even wat moest eten, waarop ik jammerde dat ik gewoonweg níets kon verdragen. Daarop verliet de Kameel hoofdschuddend het pand. Gelukkig klonk kort daarop de bel. Het was de vriendin met wie ik afgesproken had. Naar de markt zouden we. In de deuropening beweende ik luidkeels mijn lot, nog walmend in mijn ochtendjas. De vriendin lachte heel hard, dirigeerde me richting de douche en zei dat ze me zo wel in de stad zag.
Ruim een uur later, wat vooral te maken had met het feit dat een mascararoller al te zwaar was, fietste ik de markt op waar de vriendin aan een Turkse pizza stond te knagen dat het een lieve lust was. Ik kokhalsde opzichtig. ‘Sap’, zuchtte ik. ‘Ik moet sap.’ Maar toen passeerde ik de kaaskraam en zei dat ik even op een bankje moest zitten, ver weg van de kaaskraam. ‘En jij wilt zo óók nog naar het afzwemmen van je nichtje?’, zei mijn vriendin. ‘Ja’, zei ik. ‘Denk je dat ik straks flauwval in die hitte? Wil jij anders een sapje voor me halen?’ Ze deed het.
Niet veel later zat ik op de zwembadtribune te klappen, joelen en te zwaaien. De Kameel zat naast me en loerde steeds vorsend opzij. ‘Het gaat wel weer, zie ik?’, zei hij. ‘Nee’, zei ik. ‘Maar ik vind: een kater, daar moet je anderen niet teveel mee belasten.’

Fleurs column is afkomstig uit VIVA 03-2020. Deze editie ligt t/m 21 januari in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«