Fleur Meijer: ‘En daar lag hij ineens, soepeltjes over mijn schouder gedrapeerd’

fleur meijer

VIVA-journalist Fleur Meijer (37) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

In een van de negenentwintighonderdvierenzestig appgroepen waar ik mij in dit pover aards bestaan aan verbonden heb, werd gewag gemaakt van een noodoproep. Ik had deze even gemist – dat heb ik wel vaker bij appgroepnoodoproepen. Maar toen ik het bericht dan toch onder ogen kreeg, bleek zich gelukkig al direct een reddende engel te hebben gemeld. De Kameel. Hij had direct zijn emojivingertje opgestoken en daarmee was de zaak beklonken: hij ging op de drie weken oude baby van vrienden passen, zodat de vrienden in kwestie even naar de film konden. ‘Jij gaat ook mee toch?’ vroeg de Kameel hoopvol zodra hij binnenkwam. ‘Ja, ja, tuurlijk,’ knikte ik. ‘Fijn,’ zei hij. Daarna haalde ik diep adem. Want baby’s, hoe mooi, lief en puur ook en hoe high ik ook word als ik zo’n vers schedeltje opsnuif, het blijven toch ook gewoon onvoorspelbare, nogal oppervlakkige wezens die er ook nog eens beroerde communicatieskills op nahouden. En dan die nekjes hè. Niet aan die nekjes denken. Twee dagen later stond de Kameel met zijn jas aan. Hij riep dat ik op moest schieten. Ik stond nog mijn tanden te poetsen. En ik wilde hierna nog twee keer m’n tanden poetsen omdat de baby mijn enorme klapkater pertinent niet mocht ruiken. ‘Ga maar vast,’ riep ik terug. Mopperend verliet de Kameel het pand. Ik smeerde onderwijl alvast de eerste laag concealer onder mijn ontaarde ogen. Komt goed. Niet aan die nekjes denken. ‘Hè hè,’ zei de Kameel toen hij de deur opendeed. Er trok een roze wolk van opluchting over zijn gezicht. ‘Ik denk dat hij honger heeft. Of niet? Kijk jij eens?’  Ik liep naar de rieten kribbe waar pruttelende geluiden uit opstegen. Daar lag ie. Ach. Hij keek me recht aan met smeulende, wijze oogjes. Alsof hij al veel vaker aan dit pover aards bestaan heeft deelgenomen. Wat wellicht ook in de lijn der verwachting ligt als je een vroegmiddeleeuwse naam hebt die ‘brandend, vlammend zwaard’ betekent. En die verwijst naar de eerste Heeren die in Haerlem kwamen wonen. ‘Hoi lieve IJsbrand!’ zei ik. 
Ik hield even mijn hand tegen mijn mond om de geur te testen. Ik rook alleen mondwater. ‘Hij heeft honger hè? Ik heb de fles in de flessenwarmer staan. Denk je dat ik dat goed heb gedaan? Is dit niet te warm? Kun je even kijken?’ ratelde de Kameel op de achtergrond. ‘Pak jij IJsbrand maar vast. Ik regel die fles wel,’ zei ik. Nekje. De Kameel naderde de kribbe behoedzaam. Keek erbij alsof hij aan het spijkerpoepen was met een Mingvaas op zijn hoofd. ‘En nu?’ ‘Tillen.’ ‘Nee,’ zei de Kameel. ‘Doe jij maar eerst voor.’ Ik ademde diep uit. ‘Oké,’ zei ik. Ik wreef mijn ene hand onder het ruggetje en de andere onder het schedeltje. Het is niet alsof ik het nog nooit eerder had gedaan. Maar deze was nog zo klein, zo vers, zo… ‘Kom maar dan, Heertje van Haerlem,’ zei ik. En daar lag ie ineens, soepeltjes over mijn schouder gedrapeerd. Met z’n nekje. ‘Staat me goed zeker?’ ‘Heel,’ zei de Kameel.

Fleurs column is afkomstig uit VIVA 02-2018. Deze editie ligt t/m 16 januari in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«