Fleurs column: Weemoed

De schuifdeuren gaan tergend langzaam open, zoals altijd. Ik begrijp wat ze daarmee willen zeggen: ‘Beste bezoeker/bewoner, denk eraan: u betreedt een eindstation. Hier komen oude treinen knarsend en vaak wat ontspoord tot stilstand, dus houdt u rekening met een ernstige vertraging. Onze excuses voor het ongemak.’ Goedkope symboliek, ik weet het, maar ik kan het op deze plek niet tegenhouden. Net als weemoed.

In het halletje bel ik aan. Nog eens. En nog eens. “Ik ben het,” zeg ik als ik eindelijk gekraak aan de andere kant hoor. Ik besef ineens dat ik hier sta in mijn rode mantel, en een mandje met bloemen en koekjes draag.
Ik ga godbetert grootmoeder koekjes brengen. 
Zoals ze me honderden keren had voorgelezen. 
Over goedkope symboliek gesproken. “Ik doe open!” zegt de stem die ik zo goed ken, en die gelukkig altijd hetzelfde is blijven klinken. Haar woorden niet meer, maar dat vergeet ik op zo’n moment. Of nee, ik ontken. Zij vergeet. Ik loop langs de eetzaal, waar een duifgrijs kwartet de tijd verdooft met een vroege borrel. Ze doen waarvoor ze hier zijn gekomen: de treinrit uitzitten. Wachten tot ze de dood op het perron zien staan. Tot die tijd is het een komen en gaan van flauwe sudderlapjes, aardappelzalf, rummikub en herinneringen.

Er is een wolf die alzheimer heet, en hij heeft m’n grootmoeder opgegeten

Daar staat ze, in de deuropening. Een klein, slank vrouwtje. Vroeger was ze dik, maar líef dik. Met lekker grote borsten om tegenaan te liggen als ik moe, gevallen of ziek was. Officieel was ze altijd op dieet, officieus propte ze in de keuken alvast een moorkop naar binnen voor ze de rest serveerde. “Wil jij niet, ma?” vroeg haar zoon een keer. “Nee, nee, ik ben aan de lijn,” zei oma. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo heilig kan kijken met een gigantische klodder slagroom op haar wang. Die zoon heeft ze trouwens nu alweer zeventien jaar overleefd.

“Hee oma!” zeg ik. “Hoe gaat het? Ik heb koekjes en bloemen voor je.” “Goed, goed”, zegt ze. Ze kijkt schaatsen op tv. Op tafel vind ik een briefje van mijn tante. Of ik de was even uit de droger wil halen en opvouwen. Ik denk aan de witte lakens van vroeger, kraakhelder wapperend boven het gras in de tuin. “Dat vind ik nou een heerlijk gezicht,” zei oma dan. Ze hield van wassen. We gaan aan tafel zitten. “Hoe is het met je broer?” vraagt ze. Als ik zeg dat ik geen broer heb, vraagt zij hoe het dan gaat met ‘mijn kind, die ene, hoe heet ie nou’. Vervolgens zeg ik dat ik ook geen kind heb. Dan begint zij over haar zoon van 
zes en voel ik alweer dat er tranen achter mijn ogen prikken. Er is een wolf die alzheimer heet, en hij heeft mijn grootmoeder opgegeten.

“Wil je een koekje?” vraag ik.
Ze hoeft niet. De wolf heeft genoeg gegeten.
“Ik wil niet meer leven,” zegt ze als ik mijn rode mantel weer aantrek. “Maar misschien hou ik het nog wel even vol.”
“Graag oma,” zeg ik.
Maar wat ik eigenlijk had moeten zeggen:
“Ga oma.”


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

In de kou
Doomsday
Hallo
IPB
Boodschappen
Nomen est omen
Stukje experience
Woorddiarree
Slijpen
Winaars van de nacht
Antwerpen
God en Elvis
Bedankt, rossige clown
Der club
Henk
Jazz