Fleur Meijer: ‘Waarom zitten we in een wachtkamer net te doen alsof we er niet zijn?’

VIVA-journalist Fleur Meijer (37) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

Een van de beste plekken om de absurditeit van het leven te ervaren: de wachtkamer van de huisarts. Vind ik dan. Bovendien heb je ook alle tijd om dat te vinden, want anders zit je daar maar, en daarbij: je zit er nu toch. Zie: in deze voorgaande zin ligt al een zekere absurditeit besloten. Dat gaat vanzelf.
Hoe dan ook, de wachtkamer zit, hoewel het buitensporig vroeg is, erg vol. Dat komt doordat mijn huisarts nog een ouderwets inloopspreekuur houdt: geen afspraak nodig, kom gezellig langs, één kwaal per persoon, joe! Perfect dus voor de ‘joh, het is vast niets, maar ik loop voor de zekerheid gewoon effe binnen’-patiënt. Ja, daar zit het hier vol mee. Denk ik. Maar het tegenovergestelde kan ook waar zijn, bedenk ik me nu. Het inloopspreekuur is wellicht juist ook een walhalla voor de aanstel-patiënt. Niet eerst een oogrollende assistente aan de lijn die ‘bént u daar weer?’ zucht, maar gewoon onaangekondigd aanschuiven met zeven vage kwalen teneinde de kostbare tijd van de dokter maximaal 
op te souperen. En wij maar wachten. In die wachtkamer. Absurd.
Ook al zo absurd: de aandrang om in een wachtkamer net te doen alsof je er eigenlijk niet bent. Waarom zitten we hier allemaal, twaalf man en zo’n tachtig kwalen sterk, zo hardnekkig te verdwijnen? Zelfs het hooguit vijfjarige jongetje naast me kent de wachtkamermores al. Die arme ziel blijft maar met doffe oogjes verlangend staren naar het boekenplankje met het verzameld werk van Babar, het olifantje, maar hij durft de oorverdovende stilte niet te verbreken. Zijn perfect gemanicuurde moeder zit onderwijl verdiept in een tijdschrift en leest, absurd genoeg, een verhaal dat ik geschreven heb. Waar ik natuurlijk ook niks van ga zeggen: kom zeg, ik ben geen aansteller.
Maar goed, nu ik toch in dit bevreemdende vacuüm zit, kan ik net zo goed een spelletje ‘raad de kwaal’ spelen. Ja, dat is leuk. De grijze man tegenover me, met zo’n gevaarlijk aantrekkelijke penozekop, vreest een tumor op z’n stembanden: duidelijk. Dat krijg je ervan als je een leven lang Sinatra croont in Van der Valk-hotels. Alles had hij altijd gegeven, duizenden bedrijfsfeesten opgeluisterd in z’n glitterjasje en z’n smoking. Hoeveel briefjes had hij daar al die jaren in verstopt? ‘Bel me, xxx Ria’, ‘Zie ik je bij de bar? Liefs Debbie met de roze jurk’: hij kon er een muur mee behangen. En nu staart hij naar een muur, een wachtkamermuur, en hij bedenkt dat wát de dokter straks ook zegt, hij het lot zal dragen als een man. 
Ja, óók als dit the final curtain blijkt. For what is man, what has he got? My way, ja, zo deed hij het immers altijd.
‘Mevrouw Meijer!’ schalt er door de wachtkamer.
Sterkte Sinatra, denk ik. Terwijl ik opsta, kijkt hij me even aan. Bezorgd, lijkt wel. En dan herinner ik het me weer: het is vast niets, maar mijn gezicht is aan één kant heel raar opgezwollen.
Was ik even vergeten.
Absurd.

Fleur’s column is afkomstig uit VIVA 46-2018. De editie ligt t/m 20 november in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«