Fleur Meijer: ‘Met het beste wat ik in me had op het gebied van planning zette ik de wekker’

VIVA-journalist Fleur Meijer (37) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

Ik moest ’s ochtends ergens zijn. Vroeg. Met de trein. Op tijd. Nu weet ik dat hele volksstammen, wat zeg ik, vrijwel de hele werkende bevolking, ’s ochtends ergens moet zijn. Elke dag opnieuw. Op tijd. Ik beschouw dit als een bovenmaatse menselijke prestatie. Want ik, o zeker, ook ik moest vele jaren lang ’s ochtends ergens zijn. Elke dag opnieuw. Vroeg. Op tijd. Ik was nooit 
op tijd. Het moet, met de kennis van nu, zijn begonnen met een onrijpe kwab. Mijn afschuwelijke, onrijpe prefrontale hersenkwab die ervoor zorgde dat ik mijn gymnasiumjaren beschouw als één grote Sisyphus-mythe. Ja, dat klinkt leuk cultureel verheven allemaal, maar het komt er gewoon op neer dat ik snoeihard de lul was. Ik las laatst dat pubers eigenlijk evenveel slaap nodig hebben als baby’s, maar dat niet krijgen en daardoor permanent oververmoeid zijn. Aangezien ik af en toe moest huilen als ’s ochtends de wekker ging, zeg ik: ja, dit klopt. Elke ochtend kwam ik hijgend, mascara meestal op slechts één oog, zonder ontbijt, boterhammen en de juiste boeken net ná de tweede bel binnen. De conciërge, een soort boomlange minotaurus, stond dan inmiddels alweer handenwrijvend in zijn hok en bulderde ‘MEIJER! HIER KOMEN!’ Enfin, het kwam erop neer dat ik uiteindelijk werd veroordeeld tot de zwaarste straf: 
een week om half ácht op school komen, waarbij elke minuut later dan half acht een nieuwe strafweek betekende. Hoe dit afliep, kan ik als volgt samenvatten: toen ik dit jaar de conciërge op straat zag lopen, rende ik zwetend een steegje in. Door deze wrange geschiedenis heeft mijn kwab, naar ik vrees, nooit de gelegenheid gehad om helemaal te rijpen. Ook in de studie- en kantoorjaren die volgden, was ’s ochtends ergens zijn, op tijd, het soort beproeving waar ik ’s ochtends helemaal geen tíjd voor had. Dus werd ik freelancer en zorgde ik ervoor dat de enige plek waar ik ’s ochtends nog moest zijn de keukentafel was. Eind goed, al goed. Daarom vond ik het eigenlijk wel leuk om nu ’s ochtends weer eens ergens te moeten zijn. Op tijd. Net als gewone mensen. Met het beste wat ik in me had op het gebied van minutieuze planning, zette ik de wekker, moest niet huilen, dronk koffie, at yoghurt, ging douchen, kleedde me aan. Bijzonder soepeltjes allemaal. Ik haalde opgelucht adem. En dat was tevens het moment dat de kwab alsnog toesloeg. Eyeliner op m’n wang, waar is die ene lippenstift, ah in m’n andere tas, hoe lang heb ik nog, kút, weg hier weg, WAAR IS M’N OV-CHIPKAART, fiets, station, fietsflat, WELKE SADIST IS VERANTWOORDELIJK VOOR HET FENOMEEN FIETSFLAT, inchecken, GODVER NEE NIET NU, ov-chipkaart opladen, rennen, néé niet wegrijden, volgende trein dan, lukt nog net, geen paniek, ah daar is-ie, zitten, eindelijk ontspannen, zó blij dat ik dit niet meer elke dag in zo’n zombietrein hoef, HOEZO WE STAAN VOOR EEN ROOD SEIN, rennen, tram, rennen, rode linten op de gracht, shít toch de andere kant, já ik ben er EN IK BEN OP TIJD! Dat was het moment dat ik een appje kreeg. Het werd een halfuurtje later.

Fleur’s column is afkomstig uit VIVA 45-2018. De editie ligt t/m 13 november in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«