Fleur Meijer: ‘Het bitje tegen knarsentanden lag in vier stukken’

VIVA-journalist Fleur Meijer (37) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

Ik liep op straat. Mijn tred zou ik beschrijven als ‘mild gedeprimeerd’. Mild gedeprimeerd lopen kan ik goed, vooral als ik net terugkom van vakantie. Je hebt van die types die zich tijdens de landing al in de handen wrijven en dan ‘het gewone leven begint weer, jongens!’ joelen. Die mensen wil ik altijd slaan. En als ze me daarna het concept vakantie gaan uitleggen, compleet met heldere inzichten als ‘er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan’, wil ik ze graag nog een extra pets geven. Een harde, die goed resoneert. Ze hebben natuurlijk gelijk, die mensen. Daarom juist. En daarom liep ik ook zo over straat, met in mijn hoofd een snel groeiende lijst van nieuwe deadlines, facturen, afspraken en in mijn tas een klein, hardroze doosje. Eerst moest dit even. In de nieuwbouwwijk, temidden van huizen vol gewone levens, ging ik naar binnen bij mijn nieuwe tandarts. Er stond een frisse blonde paardenstaart achter de balie. ‘Hai,’ zei ik, en ik legde het roze doosje voor haar neer. ‘Ik heb een probleempje, geloof ik.’ Dat leek me de beste inleiding. ‘Twee weken geleden heb ik hier een bitje opgehaald. Vanwege tandenknarsen. Ik kon me dat niet voorstellen, maar,’ met een omineuze blik deed ik het doosje open, ‘het is geloof ik wat erger dan dat.’ De paardenstaart knipperde een paar keer met haar ogen. Het bitje lag in vier stukken. ‘Jeetje,’ zei ze. Daarna ging ze achter even overleggen met de tandarts. Ik nam plaats op de bank en bedacht dat ik dankzij mijn nieuwe tandarts iets compleet nieuws over mezelf heb ontdekt. En dat ik mijn oude tandarts, die ik van melktand af aan kende, met terugwerkende kracht een ongelooflijke lamlul vond. 
Een van mijn kiezen heeft hij gelijmd en een andere kies heeft hij getrokken. Dit laatste ook nog eens nádat hij me eerst dagenlang liet creperen met een ontsteking en een kop als Jabba de Hut op de koop toe. Gelukkig was daar de nieuwe tandarts. Ook al zo fris en blond, en ze klaterde opgewekt dat we nu meteen een nieuwe gingen maken. Een héél stevige, verzekerde ze me. In de stoel stopte ze mallen in mijn mond. ‘Wat doe je voor werk?’ vroeg ze. ‘Ik swijf,’ gorgelde ik. ‘Kwolums. En ftswukken voor twijfswiften.’ Ze propte er een nieuwe maat mal in. ‘O, wat leuk. Maar dan snap ik wel dat je knarst. Je hebt zeker veel stress?’ ‘Mwjaa, weenie, week wop, week waf, ben fweelancer, dus mwel waltijd dwedlaains en dwinge.’ Ze prakte er een homp roze klei bij. ‘Jaha. En ook zeker tot laat doorwerken?’ Ik knikte. ‘Dan verwerk je ’s nachts je stress van overdag. Kan vanzelf weer overgaan hoor.’ Boven haar mondkapje zag ik haar ogen even afdwalen. ‘Ik lees zelfs op vakantie vakliteratuur. Terwijl ik tijdschriften juist zo fijn ontspannend vind. Vooral omdat ze echt helemaal nérgens over gaan.’ Ze bedoelde het niet verkeerd, geloof ik. Maar toch, daar bijt ik dan mijn kiezen op stuk.

Fleur’s column is afkomstig uit VIVA 42-2018. De editie ligt t/m 24 oktober in de winkel. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«