Fleur Meijer: ‘Ik keek hem diep in zijn bruine, zacht loensende ogen aan’

VIVA-journalist Fleur Meijer (36) schrijft over wat haar zoal bezighoudt.

De Kameel gordde zijn rugzak om en maakte daarbij het nonchalant-kordate hupsje van een man op een missie. ‘Komt goed. Ik zie je om drie uur,’ zei hij. Ik keek hem diep in zijn bruine, zacht loensende ogen aan. Het zou de laatste keer zijn dat ik ze zag. Dat klinkt dramatisch, deels omdat ik dat nu eenmaal bén, deels omdat dit ook echt zo wás. ‘Weet je het zeker?’ vroeg ik. ‘Ik wil je ook wel brengen?’ Maar nee, de Kameel wist het zeker. Alleen ophalen. Dus daar ging hij. Met de trein. Naar ‘De Zonnestraal’. Wat ik een ronduit sadistische naam vind voor een plek waar men scalpels in oogballen steekt, maar goed, zo’n oogziekenhuis zal het ongetwijfeld goed bedoelen. Het was bovendien een kleine ingreep, had de oogarts ons verzekerd. Gewoon een spiertje doorsnijden, inkorten, hechten, klaar. ‘En,’ voegde ze er sussend aan toe, ‘bij dit soort operaties gaan we héél voorzichtig te werk.’ ‘Ah, dit in tegenstelling tot de meer roekeloze oogoperaties die jullie uitvoeren?’ had de Kameel daarop gezegd.
Zij lachen. Hij lachen. Ik lachen. Maar nu hij weg was, lag het even iets anders. Ik zette mezelf maar aan het werk. Wat matig lukte, want ik zag almaar beelden van scalpels in oogballen, rondspattend bloed, een oogarts die ‘ASSISTENTIE!’ schreeuwt, een telefoontje met de woorden ‘het spijt ons verschrikkelijk’, een witte stok met rode banden, een golden retriever genaamd Lucky.
Gelukkig werd het vanzelf drie uur. De Kameel lag in de verkoeverruimte. Hij had een blauw badmutsje op en lag aan apparaten waar erg slechte beats uit kwamen. Zijn ogen waren dicht, nat en plakkerig. Ja hoor, het was goed gegaan. Om zijn pols zag ik een bandje. ‘B.J. Schutting’, stond erop. Een korte stoot adrenaline, een wilde blik naar de verpleegster. ‘Hij heet geen B.J. Schutting!’ Zij lachen. ‘Dat is de naam van de arts.’ ‘Ha, je bent er,’ grijnsde nu ook de Kameel. ‘Heb je pijn?’ ‘Valt wel mee. Hoe zie ik eruit?’ Hij deed zijn ogen open. ‘Als een huilende weerwolf,’ zei ik. ‘Of nee, de zombieapocalyps.’ Ja, ik ben erg goed in dit soort situaties. ‘Ik wil wel naar huis,’ zei hij. Even later keek ik in de auto om de paar seconden opzij. Hij leek ineens sprekend op het huilende zigeunerjongetje. ‘Het doet pijn!’ riep hij steeds. ‘Zijn we al thuis?’ ‘Bijna,’ zei ik moederlijk. ‘Eerst nog even langs de apotheek.’
Maar natuurlijk bestaat er niet zoiets als ‘even langs de apotheek’. En zeker niet vlak voor sluitingstijd. Er was een boze vrouw van zo’n honderdzestig kilo, een bejaarde met een horrelvoet, het duurde tergend lang en toen ik eindelijk met de oogdruppels naar de auto beende, trof ik een kermende en wild schoppende Kameel aan. Ik kalmeerde hem met paracetamol, legde hem in bed, dronk veel wijn, controleerde om het uur of hij nog leefde en dacht veel aan Lucky. ‘Het is een wonder!’ riep hij de volgende ochtend. 
‘Ik zie niet meer dubbel!’ Ik inmiddels wel. Maar dat mag geen wonder heten.

Fleur’s column is afkomstig uit VIVA 37-2018. De editie ligt in de winkel t/m 18 september. Je kunt de editie ook hieronder online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«

 

magazine banner