Fleurs column: God en Elvis

Ik wilde net mijn voordeur opendoen toen Elvis aan me verscheen. Dat kwam niet echt lekker uit, want ik had zojuist door de vrieskou gefietst met boodschappentas en loopneus. Dat waren wel weer genoeg beproevingen voor de dag, vond ik, en ik wilde graag naar binnen. Maar ja, Elvis verscheen.

En dat kun je niet negeren, al was het maar vanwege die scheepshoorn van een stem. Bovendien: het is toch Elvis, hè. Niet iedereen heeft Elvis als overbuurman. Hij baste me al tegemoet terwijl hij zijn Graceland uit kwam lopen. Wijdbeens, leren jack, brommerhelm, handen losjes in de spijkerbroek. Hij zingt me elke ochtend wakker met dezelfde medley over de gevangenis, de hound dog en blauwe, suède schoentjes. Ik ben er zelfs aan gehecht geraakt.

“Fleur!”, riep hij. Hij mag me graag, geloof ik. Nou heb ik laatst nog kippensoep voor hem gekocht toen hij ziek was en een keer foto’s gemaakt van zijn spierballen. Maar goed, dat is een verhaal apart. Net als Elvis zelf. “Hé Elvis,” zei ik, en hoopte dat het niet te lang zou duren.

“Ik heb iets voor je!”, riep hij en hij maakte rechtsomkeert, liep zijn sjofele benedenwoning weer in en kwam terug een houten plank. “Voor jou, babe,” knipoogde hij. “Goh, dank je,” zei ik aarzelend. Eerlijk is eerlijk: een houten plank had ik nog niet. Elvis draaide stralend de plank om. “Het is God,” zei hij.

‘Ja zeg, ik ga God niet in de kliko flikkeren,’ zei ik’

Verdomd, het was inderdaad God. De God van Michelangelo, om precies te zijn. De God met de vinger, die op dat moment Adam en z’n armetierige penisje het leven geeft en daarmee de mensheid. Ik had er ooit in volle bewondering naar staan staren in de Sixtijnse kapel. En nu, op een koude winterdag, kreeg ik de aardsvader zomaar toegereikt. Door Elvis. Het leven kan raar lopen. “Vind je ’m mooi?”, vroeg Elvis. Natuurlijk vond ik ’m mooi. Je krijgt niet elke dag God cadeau. “Ik zal God een mooi plekje geven,” zei ik. “Goed zo,” zei Elvis, en hij beende naar zijn brommer om God mag weten wat te gaan doen.
Met de boodschappentas in de ene en God in de andere hand ging ik naar binnen. Daar ontvouwden zich dialogen die ik nooit dacht te zullen voeren, totdat ik God in huis haalde.
De Kameel: “Wat heb je daar?”
Ik: “God.”
De Kameel: “Wat?”
Ik: “God. Van Elvis gekregen.”
De Kameel: “Wát?”
Dit ging een tijdje zo door, totdat het volgende probleem zich aandiende. Want Gods aanwezigheid is tot daaraan toe, maar waar láát je Hem?
De Kameel: “In de kliko.”
Ik: “Ja zeg, ik ga God niet in de kliko flikkeren. Dat is vragen om problemen.”
De Kameel: “Kom op, jij komt toch wel in de hel.”
Ik: “Mooi. Nu weet ik waar Hij komt. Boven het bed. Aan jóúw kant.”
En zo komt het dat ik tegenwoordig wakker word met gevangenissen, hound dogs, blauwe, suède schoentjes én God. Het leven kan raar lopen.


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

Soepele lendenen
Tatoeaties
Treinleed
Trash-tv
Zelfhulpthriller
In de kou
Doomsday
Hallo
IPB
Boodschappen
Nomen est omen
Stukje experience
Woorddiarree
Slijpen
Winaars van de nacht
Antwerpen