Fleurs column: Lenteklaar

En toch overvalt het me deze keer, die lente. Grosso modo heb ik geen moeite met zonlicht door vieze 
ramen, een bebloed kattenbekje met een lief klein vogeltje erin of de eerste avond op de groen uitgeslagen tuinbank die de Kameel écht gaat aanpakken, maar waarvan je nu al weet dat hij dat écht niet gaat doen. Dat is de lente nu eenmaal.

Nee, wat mij echt overvalt deze lente, is het besef dat ik ook nu weer elke dag kleren aan moet. En die heb ik niet. Ik ben ze gewoon vergeten, die kleren. Gisteren stond ik voor de kast. Buiten was rokjesdag in volle gang, ik werd verwacht op het terras. En ik dacht alleen maar: ik kan niet weg. Ik heb geen 
kleren. Dit komt omdat ik eigenlijk op dieet had gemoeten een paar maanden geleden, maar dat ben ik ook vergeten. En nu hing een hele rij hangertjes vol lentefris textiel mij hard en gemeen uit te lachen. 
Terwijl de jurkjes die nog lief zeiden: “Nee joh, ík sta nog prima, neem mij maar!” bij nader inzien allemaal óf gaten óf verdwenen knopen hadden.

Een rij hangertjes vol lentefris textiel hing mij keihard uit te lachen

Ik begon mezelf binnensmonds uit te schelden, draaide rondjes voor de spiegel en zuchtte bij de herinnering aan mijn messcherpe jukbeenderen en zacht welvende rugribben van een paar jaar geleden. 
Vrijwel niemand vond dat mooi. Want ik was mezelf niet meer, vond men. En juist daarom vond ik mezelf zo mooi: ik wilde op dat moment niets liever dan 
iemand zijn die niet op mij leek. Ik hoopte voor altijd zo te blijven, maar alle hoop is ijdel. En ikzelf ben schijnbaar niet ijdel genoeg geweest, anders was ik wel zo gebleven. Nee, ik was gewoon weer mezelf. Niet echt dik, maar ook verre van slank.

Vanaf het terras werd geappt waar ik bleef. ‘Crisisje’, appte ik terug. Ik had zojuist ‘crisisje’ geappt. Ook dát nog. Ik was een vrouw met een crisisje omdat ze haar kleertjes niet meer aan kon. Dat zijn doorgaans heel erge vrouwen. En buiten scheen nog steeds de zon. Dus deed ik wat ik moest doen. Eerst maar eens dat crisishoofdje van me oppoetsen met mijn ongekend goede make-upskills. Mijn eyelinertalent is niet voor niets vermaard, en mijn wenkbrauwen en wimpers zijn van het type waar tegenwoordig grof geld voor wordt betaald, terwijl ik ze gratis in 
bruikleen heb.

Dat mag ook weleens gezegd, zei ik tegen mezelf. Daarna griste ik een vrolijk gekleurde jumpsuit met zowel pyjama- als afkleedkwaliteiten van een hanger, vermoedde dat dit weleens de sleuteldiplomaat zou kunnen zijn in de vredesonderhandelingen met mezelf. En trok hem aan. “Zo dan maar?” vroeg ik. “Ja, zo is het goed,” antwoordde ik. Ik strooide wat poeder over mijn haar dat ik ooit niet voor niets tot ‘pornopoeder’ had gedoopt. En stapte op de fiets, reed door de zon en deed hard mijn best me lenteklaar te voelen. Er fietste een jongen langs. Hij lachte naar me.  Hij lacht me uit, zei ik tegen mezelf. “Wat zie jij er vét uit,” antwoordde hij. “Echt mooi.”


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

Hallo
Nomen est omen
Stukje experience
Woorddiarree
Slijpen
Winaars van de nacht
Antwerpen
God en Elvis
Bedankt, rossige clown
Der club
Henk
Jazz
Weemoed
Schnapps und tabletten
Freelancen
Onverwachte post