Fleurs column: ‘Winaars’ van de nacht

Ik sta nooit in een snackbar, maar áls ik er sta, dan in kennelijke staat. Deze keer was deze dusdanig kennelijk dat ik een hoge hoed, uitgelopen lippenstift, dikke bontjas en een panty met doodshoofdjes droeg, en er dus uitzag als een volvet vluggertje van Courtney Love en Avril Lavigne. Kon mij het schelen. Whatever. Feestje gehad. Iedereen verkleed. Was super lachen. Mag ook weleens, lachen in januari. Hee, snackbar. Kee, tot zo. Zodoende.

Hapwat, zo bleek het snack-etablissement te heten. 
Dat vond ik nou een práchtige naam. Kernachtig. Ladingdekkend. Dekkendlading. Whatever. Hap. 
Wat. Je moest er verdorie maar óp komen. Kunnen 
al die beroepsaanstellers in hun ‘haute fritures’ een voorbeeld aan nemen. Oempaloempa’s uit West met sjaaltjes. Roerend in een koperen ketel vol ragout met stukjes schipholgans. Of waterbever, weet ik veel. Allemaal kroketterie. O nee. Ha.

Waarom stond ik hier eigenlijk zo 
tl-verlicht vergane glorie te wezen?

Nee, dan de Hapwat. TL-verlichting, tegelvloer, krukken, tafeltjes, gokkast, en een vitrine vol paneerprostitutie met groene pastic blaadjes ertussen. Ze dansten vrolijk voor mijn ogen. Aan de wand hingen twee gegraveerde plastic plakkaten. ‘Winaar beste Vlaamse friet’ stond erop. En: ‘Winaar beste kebab’. Schitterend. Geen wonder dat het er drukbeklant was. Elk tafeltje was bezet met volk van uiteenlopend pluimage, dat allemaal even op bedenkelijke wijze de ogen over me heen rolde, maar niets zei en over ging tot de orde van de nacht. Kapsalon, friet, bamischijf, frikandel. Hap. Een vredig rustpunt in een kolkende stad, waar iedereen gelijk was. Wat een lieve mensen allemaal. Was ik maar dichter geworden, dan kon ik hier vast wat mee. ‘Winaars van de nacht’ zou ik het noemen. Winaar klinkt ook eigenlijk veel beter dan winnaar, en het rijmt ook nog op dienaar. Ik probeerde scherp te stellen op de dienaar van de nacht, achter de vitrine. Zwartbebaard en onmiskenbaar halal, net als zijn ‘shoarma 100% lam 300 gram’. Rijmde óók al zo mooi. Hij zag er blijmoedig uit, wat ik ergens toch bijzonder vond. Je moet het maar kunnen nietwaar, eeuwig nuchter zijn tussen de blauw benevelden.

Ik was bijna aan de beurt, volgens mij. Eens kijken. Focus op menu. Scherpstellen. O ja. Hoofdstuk een, categorie ‘schotels’. Getver nee, geen schotel. Dan moet ik door het optrekkend zuur rechtop slapen tegen de muur. Rijmde alwéér. Dit gedicht schreef zichzelf in feite. Categorie ‘snacks’ dan. “Doe maar een mexicano”, hoorde ik de vierkant opgeschoren jongen voor mij zeggen. Een mexicano. Mooi woord weer. De dienaar haalde een soort roestbruine kogelriem onder 
cellofaan vandaan. Dus dát was nou een mexicano. 
Onder het cellofano. Ik leerde zo veel hier. Nu richtte de dienaar van de nacht zich tot mij en mijn kennelijke staat. “Zeg het maar,” zei hij zacht en zangerig. Hij overviel me een beetje. Wat moest ik zeggen? Ik had geen idee. En waarom stond ik hier eigenlijk zo tl-verlicht vergane glorie te wezen? Was ik een winaar van de nacht? Nee, volgens mij toch niet. En ik had ook helemaal geen honger. Wat deed ik hier ook alweer?
“Eh,” zei ik.
“Mooie hoed,” zei de dienaar van de nacht.
“Staat je goed.”


VIVA-journalist Fleur Meijer (35) schrijft over haar dagelijkse strubbelingen. Elke week lees je Fleurs column in VIVA.

Lees meer columns van Fleur:

Plexit
Wegwijsman
Kattenvrouwtjes
Soepele lendenen
Tatoeaties
Treinleed
Trash-tv
Zelfhulpthriller
In de kou
Doomsday
Hallo
IPB
Boodschappen
Nomen est omen
Stukje experience
Woorddiarree
Slijpen