Géza schrijft: ‘Ik doe al twintig jaar audities, maar de angst voor de afwijzing is nooit verdwenen’

géza schrijft

Géza Weisz (33) is acteur en dj en schrijft in VIVA elke week over zijn leven.

Gespannen zit ik in de wachtruimte van het castingbureau. Mijn mondkapje voelt opeens erg krap aan en ik word steeds benauwder. Na een minuut of tien gaat de deur open. Een collega-acteur, die ik nog ken van de toneelschool, verlaat de castingruimte en zwaait ongemakkelijk terwijl hij richting de uitgang snelt. De castingdirector, ook gemaskerd, ontvangt mij in een studio waar verder niemand is. ‘Het is een beetje een treurige bende hier,’ lacht ze. ‘Door alle maatregelen moet ik alles alleen doen.’

Ze wijst naar de stoel waar ik mag plaatsnemen. Ik ga zitten en schenk mezelf een glas water in. Ik voel mijn hand trillen. Godver, blijkbaar ben ik nog zenuwachtiger dan ik dacht. Ik doe al twintig jaar audities, maar de angst voor de afwijzing is nooit verdwenen. Toen ik mijn vader op mijn twaalfde bekende dat ik acteur wilde worden, antwoordde hij glunderend doch streng: ‘Het is een schitterend beroep, maar bereid je voor op een leven lang afgewezen worden.’ Hij had gelijk. Je krijgt de rol vaker niet dan wel.

Lees ook:
Géza schrijft: ‘De anderhalve meterregel wordt simpelweg even vergeten’

Het komt niet zo heel vaak voor dat ik bij het lezen van een karakteromschrijving mezelf direct in het personage herken. Bij het auditeren voor Alleen maar nette mensen wist ik dat er niemand in dit land geschikter voor de rol zou zijn dan ik. Vandaag heb ik weer zo’n zelfde gevoel; het karakter is me op het lijf geschreven. Ik heb me geweldig goed voorbereid, ken de tekst van voor naar achteren en toch trilt mijn hand. ‘Je tegenspelers zijn vandaag de plant en de lamp. Ik moet camera doen en zal ook tegentekst geven.’ Ik kijk bezorgd naar de plant en de lamp en denk terug aan de belangrijkste les van de toneelschool: acteren is reageren.

Toen we in 2013 de film Wiplala opnamen, moest ik een maand lang in een green screen studio filmen; een compleet groene studio, waar helemaal geen decor stond. Omdat Wiplala in de film maar tien centimeter groot is, moest ik voortdurend omhoog kijken en me richten op de tennisballen die op gigantisch hoge statieven waren gemonteerd. Speel vanuit je fantasie, zei de regisseur. Hoe ingewikkeld dat ook was, na een paar uur kreeg ik de smaak te pakken en ging het vanzelf.

‘Wil je ’m eerst nog even lezen of zullen het gewoon een keertje proberen?’ vraagt de castingdirector. Ze start de camera, roept actie en ik begin met mijn tekst. Ik hoor en zie mezelf acteren. Ik ben overbewust van elk woord en elke beweging. Nog een take. Weer lukt het me niet om de zenuwen van me af te schudden. Ik voel me roestig, als een wagen waar te lang niet in gereden is. Na vijf pogingen bedankt de castingdirector me. ‘Goed gedaan,’ zegt ze. Door haar mondkapje kan ik niet zien of ze het ook meent. Vloekend spring ik op de fiets. Mijn vader had gelijk, maar na al die jaren is het nog steeds onverdraaglijk. Wat een vreselijk beroep heb ik toch.

Beeld: Rachel Schraven

Géza’s column komt uit VIVA-2020-01. Dit nummer ligt t/m 6 januari in de winkel of kun je hier online bestellen.

»BESTEL VIVA ONLINE | KLIK HIER«