Géza schrijft: ‘De tranen lopen over mijn wangen als ik me realiseer dat ik een serieus probleem heb’

géza schrijft

Géza Weisz (33) is acteur en dj en schrijft in VIVA elke week over zijn leven.

Ik zou liegen als ik zou zeggen dat de lockdown een einde heeft gemaakt aan mijn carrière als amateurzaalvoetballer. Na meermaals te zijn gewaarschuwd, werd ik eind januari door een van mijn teamgenoten gevraagd de eer aan mezelf te houden en de groep, met wie ik elke zondag vriendschappelijk speelde, te verlaten. Ik ben bloedfanatiek en heb – zeker wanneer het op spelletjes aankomt – een zeer kort lontje.

In mijn laatste wedstrijd speelde ik de sterren van de hemel en scoorde ik aan de lopende band, wat (terecht) tot grote frustratie bij de tegenstander leidde. Eén van hen – een achttienjarige knul – schopte mij hard onderuit en toen ik naar mijn bebloede teen greep, riep hij: ‘Flikker toch op, aansteller.’ Ik stond op en gaf hem een flinke duw, wat in deze groep een absolute faux pas is. De jongen reageerde zoals het een dappere tiener betaamt, door met zijn gebalde vuist naar mij uit te halen. Gelukkig kon ik zijn stoot ontwijken en kreeg ik geen kans om de knokpartij een vervolg te geven, want de rest van de groep sprong tussen ons in. Technisch gezien zat hij fout, maar ik ben vijftien jaar ouder en had me zijn meerdere moeten tonen door de rust te bewaren. Met een ongemakkelijke stilte verliet iedereen de zaal. Het was niet de eerste keer dat ik betrokken raakte bij een opstootje, maar ditmaal voelde ik direct dat het wel m’n laatste zou zijn. Desalniettemin kwam het hard aan toen ik een paar dagen na de wedstrijd gebeld werd met het vriendelijke verzoek nooit meer terug te komen.

Nu, bijna vier maanden later, zit ik en petit comité te pokeren met wat vrienden. Iedereen heeft zich voor een tientje ingekocht, maar ik speel alsof mijn leven ervan afhangt. Wanneer een van mijn vrienden voor de tweede keer all-in gaat zonder zijn kaarten te bekijken, laat ik duidelijk merken dat hij het spel aan het bederven is. Er ontstaat een discussie en ik ben ervan overtuigd dat ik gelijk heb. We kibbelen erop los, totdat één van de jongens – de rustigste van allemaal – mij aankijkt en zegt: ‘Géza, je gedraagt je heel vervelend en het is niet leuk om met je te spelen.’

Ik ga er meteen tegenin, maar halverwege mijn pleidooi realiseer ik me wat hij me probeert duidelijk te maken. Ik slik even en bied de groep mijn excuses aan. Niet veel later volgt er weer een verbaal opstootje en wederom lukt het me niet om mijn mond te houden. Ook nu kijkt de groep me geïrriteerd aan en zonder dat ik er weet van heb, lopen de tranen over mijn wangen. Niet omdat ik op het punt sta mijn tientje te verliezen, maar ik realiseer me voor het eerst in m’n leven dat ik geen grip op mezelf heb. Ik heb een serieus probleem. Mijn reflectievermogen verdwijnt als het op spelletjes aankomt en dat voelt vreselijk. In tegenstelling tot de zaalvoetballers blijven deze jongens wel zitten en zeggen van alles om me gerust te stellen. Ze beloven dat ik ook volgende week weer mag terugkomen en dat ze me allemaal zullen helpen om volwassen te worden – ook als het om een spelletje gaat.

Lees ook: Géza schrijft: ‘Hij sprak er niet meer over en de boeken verdwenen’

Foto: Rachel Schraven

Géza’s column komt uit VIVA-2020-23. Dit nummer ligt t/m 9 juni in de winkel of kun je hier online bestellen.