Goh, dat lezen is best leuk

‘Ik ben niet zo’n lezer’ zei ik altijd, wanneer iemand mij vroeg wat voor boeken ik nu zelf eigenlijk las. Dat voelde toch een beetje als een vreemd antwoord, zeker met een boek in de winkels en een tweede (en derde) boek op komst. Maar, zo wist ik voor mezelf goed te praten, je kunt ook liedjes schrijven zonder naar muziek te luisteren, autorijden zonder naar races te kijken, schilderen zonder naar Bob Ross te kijken enzovoort. Toch voelde het altijd een beetje incompleet, alsof ik een deel van mezelf ontkende.

Pretpakket?

De reden dat ik weinig tot niet las, vond overigens z’n oorsprong zo’n twintig jaar geleden, eindexamenklas HAVO. Vakken met cijfers waren een regelrechte ramp, met als gevolg dat ik ging voor een vakkenpakket met de talen Engels, Nederlands, Frans en Duits. Een pretpakket noemden ze dat, maar op die leuke blonde 20-jarige lerares Frans na, begrijp ik nog steeds niet wat er zo’n pret aan was. Woordjes stampen en boeken lezen, dat is wat ik me er nog van kan herinneren. Dat woordjes stampen was niet zonder succes, een rijtje als : Bon, Grande, Jeune, Jolie, Beau, Gros, Mauvais, Petit, Long, Haute, Vaste, Vieux, Autre, Nouveau, Dernier, kan ik nog steeds zonder problemen opdreunen. Wat ik met die woorden kán, tja, geen idee, maar juf Frans was héél trots op me. Dat ik een norse kalende man als leraar Duits had, en me geen enkel Duits rijtje woorden meer kan herinneren, is vast toevallig.

Woordjes stampen vond ik niet zo erg, grammatica worstelde ik me ook wel doorheen. Maar die boeken, mijn god, die belachelijke hoeveelheid boeken, daar brak me jaren later nog het zweet van uit. De precieze hoeveelheid boeken weet ik niet meer, maar elke taal kwam met een flinke hoeveelheid boeken die binnen het jaar gelezen moest worden, en dat was dus jackpot, als je alle vier de talen had. Zo ongeveer een boek per week moest ik verslinden, wilde ik het halen. Een beste opgave voor iemand die gemiddeld drie weken over één boek doet. Zelfs nu, twintig jaar later, begrijp ik nog steeds niet hoe ik het had moeten doen, naast alle toetsen, schoolonderzoeken, examens, en zonder het planvermogen dat ik nu als volwassene bezit.

Nooit meer een boek

Met bloed, zweet, tranen en uittreksels heb ik het destijds gered. Om het kunstje vervolgens twee jaar later in de eindexamenklas van het VWO te moeten herhalen. Maar niet zonder mijn liefde voor het geschreven woord (bijna) voorgoed te vernietigen. En dat is wat ik eigenlijk het allerergste vind. School is er om je klaar te stomen voor het leven, en wat mij betreft hoort daar ook bij dat school je helpt ontdekken wat je passies zijn. Die boeken, de hoeveelheid, de genrekeuze enzovoort, zijn me destijds zó door m’n strot geduwd, dat ik nooit, maar dan ook nóóit meer een boek wilde lezen.

Dat was tót ik blogster Lisette ontmoette, die me aanstak met haar passie, niet alleen voor schrijven, maar óók voor lezen. Ze besmette me met een honger om het ene na het andere verhaal tot me te nemen en daarmee, zoals ze dat zo mooi zegt, mijn schrijversstem verder te ontwikkelen. Daar ben ik dankbaar voor, want het heeft twintig jaar geduurd om de schade die school heeft aangericht, ongedaan te maken, en te ontdekken dat er stiekem een groot leesmonster in mij schuilt.

‘Ik ben niet zo’n lezer’ zei ik altijd, wanneer iemand mij vroeg wat voor boeken ik nu zelf eigenlijk las. Dat voelde toch een beetje als een vreemd antwoord, en dat was het ook.