Ik pendel dus ik ben

Nu ik sinds kort voor mijn werk elke ochtend met de trein reis, is het contact met mijn medemens enorm toegenomen. En dat is best even wennen.

Handgebaren maken
Hiervoor bestond mijn woon-werkverkeer uit een fietstochtje van vijf minuten. Natuurlijk kwam ik dan ook wel medemensen tegen, maar dat contact beperkte zich tot gezamenlijk wachten voor het stoplicht of samen handgebaren maken naar automobilisten die de voorrangregels aan hun laars lapten. Maar hoe ze roken, daar had ik bijvoorbeeld geen weet van.

Vervroegd ochtendritueel
De eerste dagen dat ik met de trein ging – toen mijn vervroegde ochtendritueel nog niet eens in de buurt van routine kwam – werd ik geconfronteerd met afgeladen coupés. Aldoende leerde ik in dit geval heel snel, dus nu zorg ik dat ik op tijd ben. Samen met een heleboel andere mensen waarvan het grootste deel net als ik duidelijk nog niet wakker is, wurm ik me de coupé in en confisqueer ik een plek.

Gesnipperde uitjes
En dan is het maar afwachten wie er naast je komt zitten. En hoe ze ruiken. Heb je pech, dan tref je een medepassagier die zich ’s ochtends heeft ondergedompeld in after shave of eau de toilette. Maar met wat geluk deel je je bank met iemand die zich laaft aan een verse beker koffie.

Op de terugweg ruikt de coupé naar patatjes oorlog en zweet. Vaak duurt het tot halverwege de rit voor ik er achter ben welke van de twee het is. Zo ontdekte ik van de week pas toen mijn buurman zijn jas uitdeed, dat wat ik voor gesnipperde uitjes had gehouden toch echt zijn oksel bleek te zijn. Dan duurt zo’n treinreis ineens best wel lang.

Gemêleerd gezelschap
Ik besefte vandaag ineens dat ik nu onderdeel ben van een groep: de forensen. Een zeer gemêleerd gezelschap, behept met een grote mate van routine. De forens die net doet alsof hij niet in de trein zit, maar gewoon nog in zijn bed ligt. De forens met de krant, de forens verdiept in zijn iPhone en de forens die slaperig de weilanden aan zich voorbij laat glijden. De gesprekken tussen forensen die elkaar vaag blijken te kennen, sommige wat ongemakkelijk, het is immers vroeg (“Hoeveel kinderen heb je nu? Drie? Tjonge. En hoe is het met Cindy, eh Christine?”), sommige ondanks het tijdstip bijna filosofisch (“Ik ben altijd mezelf. Op mijn werk. Thuis. Bij familie. Bij Bert. Echt altijd. Ik zou niet anders kunnen”).

Nog even en ik ben ook een geroutineerd forens. Ik pendel dus ik ben. Ik kijk er nu al naar uit.

Hoe ga jij naar je werk, hardop zingend in de auto, dommelend in trein of bus of juist fris en fruitig op de fiets?

Bron foto: Jemimus