Ja, jij! Brillioot!

Dat ik weleens essen zag waar ellen stonden, was me al een langere tijd duidelijk. Maar dat mijn ogen zoveel behoefte hadden aan een bril, niet. Als mijn ogen me konden uitschelden, hadden ze dat gedaan. En terecht.

Stiekeme verpester
Ik ben een eigenwijs stuk vreten, denk ik tevreden bij het typen van mijn nieuwe blog en het waarnemen van mijn hele beeldscherm in HD. Geloof me, dat is echt anders geweest. En nu ik er zo over nadenk, heb ik het waarschijnlijk nog zelf veroorzaakt ook. Vroeger, toen ik nog weleens boeken las omdat ik eigenlijk alleen maar op hoefde te groeien en verder alle tijd van de wereld had, zat ik rechtop in bed stiekem te lezen met een knipperend lampje. Het grote licht kon immers niet aan. Als mijn vader dan een tijdje achter de deur had gestaan, omdat het veel te stil was en hij het niet vertrouwde, viel hij de kamer binnen met de vraag of ik sliep. Waarop er van onder de dekens een harde en voor mezelf zeer overtuigende ‘ja’ klonk.

Genoeg is genoeg
Onderschat nooit de kracht van de ontkenning, want mijn God, wat heb ik mijn slechte zicht ontkend. In de auto tijdens mijn rijlessen zag ik de verkeersborden pas op het moment dat we af moesten slaan, op straat negeerde ik mensen die naar me zwaaiden omdat ik niet zag wie het waren en in de collegezaal moest ik mijn klasgenoten altijd een kort elleboogje geven om te vragen wat er nou op die onderste regel stond. Toen ik voor mijn vriend GTA V had gekocht en ik de miljoenenpixels niet eens over het scherm kon zien dansen, was de maat voor mij eindelijk vol. Ik wilde waar voor mijn ogen.

Goed voor lul
Bij de opticien verwachtte ik medelijden. Op de een of andere manier associeerde ik brillen altijd met iets knulligs. Maar ik werd goed op m’n plek gezet toen de opticien bij de voormeting alleen al keihard in de lach schoot. ‘Ja, jij eh, moet wel een brilletje, ja!’ krijste ze door die zaak. ‘Waarom ben je hier nu pas!?’ Mijn oogbollen rolden vanuit hun kassen met een dof klapje op de grond van schaamte. Geef daar maar eens een fatsoenlijk antwoord op. ‘Eh, alleen voor veraf, en zo?’ vroeg ik aan het einde van de meting voorzichtig. De opticien schudde haar hoofd, scheurde mijn bonnetje af en zei in slowmotion: ‘De hele dag.’

Ik viel in de prijzen. Ik was niet speciaal, stronteigenwijs en ik werd ook nog eens een fulltime vieroog. En dat heb ik geweten. Mijn vader verkondigt herhaaldelijk dat dit allemaal niet nodig zou zijn als ik gewoon naar hem geluisterd had (achteraf is mooi wonen, pap) en mijn zus noemt me al een week lang Guus Meeuwis. Maar oké, ik steek mijn hand in eigen boezem. Ik kan nu tenminste zien wíe me Guus Meeuwis noemt. En het gaatje in je kies trouwens ook.