Jan Boerenfluitje

Wat een watje vond ik mezelf het afgelopen jaar. Om de haverklap was ik moe en elke kans greep ik aan om in bed te liggen. Beetje bijslapen. Ik was steeds verkouden, grieperig en een conditie opbouwen leek een mission impossible.

Heel raar vond ik het. Vorige zomer liep ik een paar dagen in de week hard. Erg ver kwam ik niet. Hoewel ik vroeger gemakkelijk een soort van ongetraind vijf kilometer liep, bleef ik nu steeds steken tussen de twee en drie kilometer. Ik bedacht me maar dat ik het toch niet voor het hardlopen deed, karate was het belangrijkst. Maar ook op de karatetraining was ik kapot na drie kwartier. Ik keek om me heen en zag dat de meeste mensen amper zweetten, sommigen hadden een gezond blosje op de wangen. Mijn karatepak was drijfnat en als ik in de spiegel keek staarde een rode tomaat me terug aan. My god.

Bent u dom of achteloos?
Ik dacht maar dat ik gewoon alles gegeven had. Karate is ook zwaar als je het goed doet. Ik haakte dan ook vaak na een uur af, terwijl de meeste anderen nog even anderhalf uur extra pakten. (“Hoe dan?!” vroeg ik me af.) In september vond ik het wel wat vreemd dat mijn energielevel zo laag bleef. Ik bedacht me dat mijn vegetarische levensstijl me misschien genekt had. De huisarts keek me dan ook streng aan toen ze vroeg “heeft u een uitgebalanceerd en compleet eetpatroon of doet u vegetarisch op z’n Jan Boerenfluitjes?” Dat vond ik een gemene vraag. Staat voor mij gelijk aan als: “Bent u onwetend of gewoon zo achterlijk dat u niet voor uzelf zorgt?” “Jan Boerenfluitjes”, antwoordde ik gedeprimeerd.

Afgepeigerd klagen
Uit het bloedonderzoek bleek dat ik inderdaad een ‘ernstig ijzertekort’ had, dus ik ging aan de ijzerpilletjes, at nog meer groenten waar veel ijzer in zit en welja, werd zelfs flexitariër, kocht biologische beestjes voor op mijn bord. Het mocht niet baten. Van de ene griep rolde ik in de andere griep, ik kon regelmatig ‘s nachts niet slapen en dat overdag inhalen in onze bouwval – waar structureel in gewerkt wordt, ja hallo, anders komt het nooit af – was geen optie. Dus afgepeigerd belandde ik vorige maand weer op de stoel bij de huisarts, een andere dit keer. Eigenlijk voor een oorontsteking, maar ik moest ook even klagen hoe moe ik wel niet was. “Heeft u het soms druk?” Mja, heb dit jaar amper een dag vrij gehad. Alles gaat gewoon door, zelfs al woon ik in een bouwval.

Tackle mij
Maar na nog een naald in mijn arm en een weekje wachten, onverwacht een verlossend antwoord: “Mevrouw, ja, u heeft Pfeiffer.” Bizar. Het virus dat ik nooit gedacht had te krijgen. (Alles wat anders is dan een griep denk ik nooit te krijgen.) Maar het is echt. Pfeiffer dus. Dat verklaart een hoop. Ben ik toch iets minder watje dan ik dacht. Een Jan Boerenfluitje, dat wel. Verplicht rustig aandoen is het devies. Hoe dat ook alweer moet, weet ik niet, dus tackle me gerust als je me voorbij ziet rennen.

© Beeld: Chantal Straver