Kakwijven

Het was een moment op mijn verjaardag, later op de avond, dat mijn vriendinnen een ABC voor me aan het opdragen waren. ‘De ‘K’ is van kak, dat ben jij heus niet.’ Het sarcasme spat er vanaf. ‘We zijn speciaal kak gekleed voor jouw verjaardag’ doet één van de dames even later bovendien nog uit de doeken.

Ben ik een kakker?

Ik zie nette jurkjes met een keurige ronde hals, hakken, een bob, kant, bloemetjes, een broekpak, een gilet en de enige man van het stel draagt een polo en zijn haren strak achterover. Allejezus, wat eigenlijk een stel kakkers. Zo had ik ze nog nooit bekeken. Zelf draag ik een grote ketting, een broek met steekzakken, hakken, rode nagellak, lippenstift, een Mona Lisa-horloge en mijn haar is hoog opgestoken in een knot. Ben ik een kakker?

Kak is een illusie
De enige reden van mijn ‘rollende r’ is spraakgebrek op jonge leeftijd. Het kroontje dat ik vorig jaar op mijn verjaardag kreeg maakt me nog niet van adel. Het feit dat ik gedurende mijn hele jeugd rondliep met haarbeugels kwam uitsluitend voort uit laksheid. Mijn auto is niet roze, maar verschoten rood en ik kom uit een dorp in Drenthe. En wat dan nog? Ik vind kak best oké. Ik vat het maar op als een compliment.

Wat heet kak?
Wat is eigenlijk kak? De definitie van de term ‘kouwe kak’ is: ‘Mensen die deftig doen, maar het niet zijn’. Ik oog blijkbaar kak, maar gedraag me alles behalve deftig. Zou dat betekenen dat ik val onder de noemer ‘warme kak’? Mijn vriendinnen lachen plagerig om mijn nieuwe identiteitscrisis. We hebben een onderlinge verstandshouding waarbij we elkaar regelmatig een keer te kakken zetten, maar zo letterlijk heb ik het nog niet eerder meegemaakt. Ik vind het best. Er is maar één plek waar ze naar toe kunnen met hun kak en dat is de pot op. Want kak of geen kak, poepen doen we allemaal. In die zin kun je best stellen dat we allemaal kakkers zijn.

© Beeld: privébezit