Kiki #164: ‘Ik voel me schuldig en neem me voor goed voor de hond te zorgen’

Kiki Faber

Kiki Faber (27) – inderdaad het nichtje van de welbekende Floor Faber – woont in Amsterdam, waar ze met haar grote mond, impulsiviteit en chaotische gedrag genoeg dingen meemaakt. Op viva.nl/kiki deelt ze elke week haar belevenissen.

Maandag

Heleens been hangt in een takelconstructie en de huid rond haar ogen is blauwpaars. Ik moet mijn best doen om niet geschokt te kijken.  ‘Hoe is het met Joost?’, is het eerste dat ze vraagt. ‘Hij moet vier keer per dag uit.’   ‘Komt goed. Maak je geen zorgen.’ Hoe ik dat ga fixen weet ik nog niet. Vandaag heb ik maar een vrije dag genomen en daar was Sharon, mijn chef, niet blij mee. Toen ik haar vanochtend belde, zei ze: ‘Stel dat we allemaal op het allerlaatste moment besluiten niet naar ons werk te komen? Wie helpt er dan de klanten? Ik maak hier een aantekening van, Kiki Faber.’ 

Inmiddels heeft Heleen haar ogen gesloten. Uit een tas haal ik een paar schone shirts, onderbroeken (ze draagt verwassen lichtgrijze Sloggi’s. Blijkbaar heeft ze alle hoop op seks verloren), een tandenborstel, gezichtscrème, het boek dat op haar nachtkastje lag, haar telefoon en de oplader. Als ik die in het stopcontact prik, zegt ze: ‘Je bent een engel.’  

‘Wat is er nu eigenlijk met je gebeurd?’. ‘Uitgegleden op het kleed dat voor mijn bed ligt. Toen ik achterover klapte is mijn bovenbeen gebroken en ik liep een barst in mijn schedel op. Daar komen die blauwe ogen vandaan. Schrok je niet toen je mij zag? Toen ik in de spiegel keek, dacht ik dat ik een bad trip had van alle morfine die ik krijg.’

‘Het valt best mee,’ lieg ik. ‘Is er iemand met wie ik contact moet opnemen?’

‘De enige die ik echt wil spreken is daarboven.’ Haar ogen vallen dicht en als ze begint te snurken weet ik zeker dat ze slaapt. Eigenlijk wil ik haar nog vragen hoelang ze hier moet blijven en of ze een vaste oppas voor Joost heeft, maar dat komt later wel. 

Thuis ga ik meteen naar Joost en hij is zo blij me te zien dat hij zijn kontje er bijna afzwiept. Ik lijn hem aan en we lopen een rondje door de buurt. Hij leidt, ik volg, want hij weet precies waar hij naartoe wil. Daarna geef ik hem te eten en blijf ik ook maar even bij hem zitten. Hij voelt zich vast eenzaam zonder Heleen. Terwijl ik zijn zijdezachte oortjes aai, bel ik Alice, de moeder van Finn, die bevriend is met Heleen.

‘Kiek!’ zegt ze verrast. ‘Wat leuk van jou te horen. Of is er iets?’ Kort leg ik uit wat Heleen is overkomen. ‘Arme meid’, zeg Alice. ‘Waarschijnlijk had ze te veel gezopen. Sinds Karin is overleden, zit er geen rem meer op.’

‘Karin?’. ‘Ja, haar vriendin, die is vorig jaar overleden aan borstkanker. Ze dachten dat ze schoon was, maar toen kreeg ze last van haar nek. Een hernia hoopte ze. Maar het waren uitzaaiingen, en binnen een paar maanden was ze weg. Heleen is er nog steeds kapot van. Ik denk dat ze het daarom ook fijn vindt dat jij bij haar op zolder woont, dan is ze niet zo alleen.’ 

Onmiddellijk voel ik me schuldig. Heleen heeft een paar keer gezegd dat ik moest komen eten of koffiedrinken, en dat heb ik geen één keer gedaan. Te druk met mijn eigen gedoe. Daarom neem ik me voor om in elk geval goed voor haar hond te zorgen.