Kun je even krabben?

Het is de zin waar M in de acht jaar dat we samen zijn een gruwelijke hekel aan heeft gekregen. Ik heb namelijk jeuk op mijn rug. Niet soms, niet vaak, maar eigenlijk altijd. Nu schijnt dat niet een persoonlijk manco van mij te zijn, maar een probleem van het hele mannelijke geslacht. ’s Avonds, zo vlak voor het slapen gaan, dan openbaart het zich ineens. Zo’n kriebel, midden op je rug, waar je met de beste wil van de wereld niet bij kunt. Het liefste gaat M eerder slapen dan ik, want ik ga haar niet wakker maken (hoogstens een keer iets te hard binnenkomen ‘oeps sliep je?’. Gaan we tegelijk slapen, dan is ze sowieso de pineut. ‘Kun je zo wel even krabben?’, waarop een lange tragische zucht klinkt aan de andere kant van de kamer.

Erger is nog als de rollen zijn omgedraaid, wanneer ik eerder ga slapen dan zij. Dan komt ze heel zachtjes de kamer binnen, want ze wil me niet wakker maken. Op haar tenen loopt ze naar het bed, gaat tussen de lakens liggen. Twee punt drie seconden heb ik dan. Want als ze eenmaal lekker ligt, dan kan ik het schudden. ‘Kun je even krabben?’ roep ik snel. ‘Shit, shit, shit!’ ze roept het niet, maar ik hoor het haar denken.

Belachelijk veel soorten jeuk
Dan is het natuurlijk nog de vraag wat voor soort jeuk het is. Want de mannelijke rug kent belachelijk veel soorten jeuk. Je hebt de lokale prikjeuk, die netjes op één plek blijft, maar die zich verstopt als je krabt. Om daarna stiekem en venijnig terug te keren als de krabber weer is vertrokken. Dan is er nog de racejeuk, de jeuk die begint, maar gaat reizen zodra er gekrabd wordt. ‘Ja daar! Nee, naar links, links, andere links! Naar beneden, oh nee stukje terug, ja daar! Oh, toch niet’. Bewonderenswaardig hoe de krabber altijd netjes begint met orders opvolgen en op het laatst uit frustratie vol de nagels over je hele rug haalt, om zo effectief jeuk te vervangen door pijn.

De ergste jeuk is echter de fantoomjeuk. Jeuk die je voelt, maar niet kunt plaatsen. ‘Waar heb je jeuk dan?’ ‘Ja volgens mij links op mijn rug’ ‘Hier’? ‘Misschien toch mijn arm’. De krabber is kansloos en fantoomjeuk resulteert altijd in twee gefrustreerde mensen. De één omdat ze voor niets heeft gekrabd, de ander omdat het euvel niet is verholpen. Nachtenlang heb ik in bed gefantaseerd over complete systemen die je zou kunnen bedenken om dit probleem op te lossen. Een t-shirt met vakjes op je rug, met corresponderend schema op papier. ‘Het gaat nu van A5 naar B3, haast je!’ Een spijkerbed klinkt ook zo fijn, of een ruggenkrabber met scherpe punten ipv die botte houten krengen (slecht plan, slecht plan).

De jeuk zal ons redden
Ik heb de jeuk altijd verfoeid, maar laatst had ik, uiteraard tijdens het krabben, een gesprek met M. Ineens realiseerde ik het me ‘Weet je?’ zei ik. ‘Mocht onze liefde ooit doven, mocht zelfs Robin ons niet meer bij elkaar kunnen houden, dan zal de jeuk ons huwelijk redden’. Want na veel pijn, moeite en verdriet zou ik vast kunnen leren van iemand anders te houden. Maar krabben zoals zij? Dat kan na acht jaar niemand beter!

CC foto: vizzzual-dot-com