Luctor et emergo

Ik had twee weken niet gefietst. Mocht niet van de dokter. De elleboog moest rust hebben. Maar van binnen gilde ik van onrust. 

Het was verschrikkelijk mooi weer en ik zat maar binnen naar het wielrennen te kijken. Of ik zat buiten, op het terras. Maar zelfs dat voelde niet goed. Ik wilde fietsen, ik wilde het asfalt onder me door zien zoeven. Ik wilde de wind in de haren en staan op de pedalen.

Ik wist niet dat ik het zo zou missen. Dat het wielrennen zo’n groot dat deel van mijn leven zou uitmaken. Dat ik de onrust in mijn lijf alleen kan verjagen door mijn schoenen in de pedalen te klikken.

En dus kon ik mijn geluk niet op toen ik op dinsdag mijn fiets bij de fietsenmaker ophaalde en ’s avonds weer een rondje met T. ging maken. Mijn hand was nog wat pijnlijk en mijn arm een beetje stijf, maar ach, dat kwam vast wel goed.

Ik klikte in en we reden de straat uit. Mijn hart zakte in mijn fietsschoenen. Overal verkeer, overal medeweggebruikers die misschien wel niet op zouden letten. Die mij misschien wel niet aan zagen komen. De automobilisten waren geen automobilisten meer, maar mogelijke ongelukveroorzakers.

En dan de pijn. Bij elke hobbel schoot de pijn door mijn hand. Een spierkneuzing kan behoorlijk pijn doen, zo voelde ik. Ik kon geen grip krijgen op mijn stuur. Ik voelde me een waggelend eendje. Helemaal geen wielrenner.

Halverwege ons ritje, na een kilometer of twintig, barstte ik in huilen uit. Kwaad omdat ik nog niet de oude was, kwaad omdat ik nog niet alles kon doen wat ik wilde. Kwaad op mijn eigen angst. Kwaad kwaad kwaad.

‘Hoe lang is het nou geleden?’ vroeg T. ‘Twee weken’, zei ik. Hij zei dat ik geduld moest hebben. Dat het al hartstikke mooi was dat de benen het nog deden. En dat de rest vanzelf weer komt.

En hij had gelijk. Maar ik ben zo ongeduldig. Het gaat elke dag een beetje beter, maar ik kan niet wachten tot alles weer normaal is.

Beeld: thinkstck