Een man in vrouwenkleren

Het eerste wat ik voel als ik de volgende persoon zie die we op moeten halen, is verwarring. Ik zit in zo’n typische bus die de mensen van één reisleider uit een bepaald vakantiegebied oppikt bij de parken waar ze minimaal een week lang de zon op hebben liggen zuigen. Het logge voertuig mindert vaart en stopt met een sissend geluid voor een figuur met schouderlang donkerbruin haar, in een roze trui, een rode, enkellange plissérok en laarzen. Tot zover is de boodschap duidelijk. Alleen is het gezicht zo ontegenzeggenlijk mannelijk, dat mijn haren ervan overeind gaan staan.

Twijfel
‘Is dat een man of een vrouw?’ vraagt Lau, mijn onbestemde gevoel bevestigend.
Ik besluit dat de kleding me maar gewoon het juiste signaal moet geven. ‘Een vrouw, natuurlijk,’ zeg ik. ‘Kijk maar, ze draagt een rok.’
Dan komt het figuur dichterbij en begin ik te twijfelen. Het pokdalige, make-uploze gezicht met de dunne, bloedeloze lippen en de stevige kaaklijn brengen me evenzeer in verwarring als de brede schouders die de roze trui doen spannen. Daaronder tekenen zich echter duidelijk de lijnen van een beha af.

Uncanny valley
Zodra de persoon ons passeert in de bus en met een diepe, rommelende mannenstem ‘goedemorgen’ tegen ons bromt, merk ik dat het kippenvel in golven over mijn armen omhoog rent. Mijn maag komt in opstand en ik duik wat dieper weg in mijn stoel. Ik heb slechts één keer eerder zo’n heftige negatieve lichamelijke reactie gehad op iemands voorkomen, en dat was in de metro in Londen. In de benauwde gangen, diep onder de grond, werd ik zonder het ook maar te verwachten ineens geconfronteerd met een bedelaar. Nu gebeurt dat wel vaker in de Londense metro, maar deze keer is me bijgebleven. Hij richtte zijn gezicht naar me op terwijl ik de trap afdaalde en toen mijn blik de zijne ontmoette sloeg ik van schrik de laatste drie treden over. Zijn huid was lijkwit, zijn hoofd kaal en zijn huid spande over zijn schedel alsof het een te kleine jas was. Maar het engste vond ik zijn ogen. Die waren klein, diep weggezonken, maar ik zag langs de menselijke twinkeling die bewees dat het echte ogen waren, dat ze vrijwel geheel rood waren, alsof ze geen pupil bevatten. Al met al zag hij eruit als iets semimenselijks dat zo uit een horrorfilm was weggelopen. Ik hapte naar adem, hield een gil in, trok mijn vriendin mee naar het perron (uit het zicht van de bedelaar) en begon onbedaarlijk te huilen.

Wat de boer niet kent…
In het vliegtuig zoeken we onze plaatsen op. Aangezien Lau best wel Echt Gestoord Lang is, hebben we stoelen geboekt met extra beenruimte. De man in vrouwenkleren komt langs ons lopen en ik betrap mezelf erop dat ik heel hard hoop dat hij niet op de lege plaats naast me komt zitten. Als hij doorloopt, laat ik mijn adem opgelucht ontsnappen. Tegen de mensen achter ons zegt hij: ‘Volgens mij zit u op mijn plek, mevrouw.’
Wat volgt is een verbale lynchpartij. Het gaat zo snel dat ik amper de tijd heb om verbaasd te zijn. Niet alleen de vrouw die hij aanspreekt, maar ook mensen die passeren in het gangpad beginnen op een agressieve toon tegen de man te protesteren. Als hij probeert hen gerust te stellen, hoor ik alleen maar meer paniek en boosheid in hun reacties. Ergens begrijp ik hun felle reactie: het is niet zoals je verwacht dat het zal zijn. Deze persoon kleedt zich als vrouw, maar gedraagt zich desondanks wel als man. Aan de andere kant: op het eiland waar ik net vakantie heb gevierd zijn de travestietenshows big business en betalen mensen avond aan avond grof geld om zo’n zang- en dansfestijn van mannen in vrouwenkleren bij te wonen. Is het dan ineens niet raar? Moeten we deze persoon soms betalen en vragen of hij een liedje wil zingen, zodat we het wat minder eng vinden?

Uiteraard blijkt de manvrouw uiteindelijk naast mij te zitten. Ik ben de rest van de vlucht bezig mijn bekrompen hersenen ervan te overtuigen dat er niets gevaarlijks is aan hem/haar.

Foto: Robert Croma