Mens erger je dood

Met een aantal vriendinnen vierden we afgelopen weekend ‘Sinterkerst-en-nieuw’ en voor mijn part Pasen. Er waren in ieder geval cadeautjes en een schip vol lekkers. En daar gaat het om.

Of eigenlijk ging het natuurlijk om de gezelligheid. Maar die verging mij enigszins toen ik hoorde dat we een spelletje zouden doen met de cadeautjes. Ik haat spelletjes. Bij Monopoly mag iedereen wat mij betreft zijn monopolie voeren in de meest letterlijke zin van het woord en Mens-erger-je-niet zal ook niet op mij van toepassing zijn tijdens wat voor spelletje dan ook.

Stoelendans
Een grote dobbelsteen werd gepresenteerd. Op elke zijde stond een opdracht. Helaas had de dobbelsteen een afwijking naar een bepaalde zijde, waardoor we voornamelijk de opdracht ‘Schuif een stoel naar rechts’ uitvoerden. Toen na 45 lange minuten van stoelendans eindelijk het eindsignaal klonk voelde ik me opgelucht.

Het komt na bloem
Maar net toen ik dacht dat het voorbij was werd er een nieuw spel tevoorschijn getoverd. Een spel met kaartjes met daarop vijf woorden. We verdeelden ons in tweetallen. De woorden moesten door de één beschreven en door de ander geraden worden. Dat ging als volgt:

‘Een straat in Amsterdam. Nee, niet de Kalverstraat…eh…het komt na bloem!’
‘De tijd is om!’
‘Coolsingel’ stond er op het kaartje.
‘Dat is niet eens in Amsterdam, maar in Rotterdam!’
‘Daarom zei ik ook dat het na bloem kwam!’
‘Hoezo, dat komt na bloem?!’
‘Bloemkóól?’

Wat een verstand
Mijn teamgenote pakte een kaartje en las de woorden die erop stonden. ‘Even een ander kaartje, ik ken hier niets van’ fluisterde ze. Stiekem pakte ze een ander kaartje. ‘Jemig, ik moet echt meer boeken lezen.’ Ik keek in de rondte. Ons gehele gezelschap bestond uit HBO- en universitair opgeleiden. Behalve mijn teamgenote. Dat had ik weer mooi voor elkaar.

Het omschrijven was een drama en het raden des te meer. Mijn teamgenote wist dit echter goed te camoufleren. ‘Siberië, zei je? Ja, dat is vier goed!’ Ik wilde net zeggen dat ik helemaal geen ‘Siberië’ zei, toen ze me een knipoog gaf en onze pion zes plekken vooruit schoof. De volgende ronde pakte ze een kaartje, las de woorden, slaakte een zucht en gaf het aan mij. ‘Beschrijf jij ze maar, dan raad ik wel.’

Uiteindelijk wonnen we niet eens, maar verloren hadden we ook niet. Eigenlijk hadden we vooral veel plezier. En ik had ook iets geleerd. Niet van het spel, niets uit een boek, maar van mijn teamgenote. Het gaat niet om hoeveel verstand je hebt, het gaat om wat je ermee doet. Dit was een typisch gevalletje ‘win-winsituatie’.

© Beeld: privébezit