Blog Martin: Met je ballen onder de scanner…

Gisteren kreeg ik van iemand een gigantisch harde trap tussen m’n benen. Vandaag ook, en ik vrees dat morgen niet veel beter is. Dat is geen waarheid, maar wél hoe ik – zo nonchalant mogelijk – aan de huisarts probeerde uit te leggen wat ik voelde. De huisarts, ook een man, trok een verbeten gezicht. Tja, alleen een scrotumgenoot weet hoe dat voelt. ‘Laten we dan maar eventjes gaan kijken,’ sprak hij de gevreesde woorden. Ik ben geen kleine jongen meer, ik begrijp echt wel dat als je bij de huisarts je broek moet laten zakken, dat dat niet raar is, en dat het gewoon even moet. Maar zoals Emile Ratelband mensen steevast ‘koelmos koelmos koelmos’ laat roepen als hij ze over gloeiende kooltjes laat rennen zodat ze de hitte niet voelen, zocht ik naarstig naar een woord dat het tegenovergestelde was van erectie. ‘Joh, dat gebeurt je echt niet bij een huisarts hoor,’ zei M nog van tevoren. Vrouwen snappen dat niet. Het heeft niets met opgewondenheid te maken. Vergelijk zo’n geslachtsdeel met zo’n irritant jongetje in een film, dat precies niest op het moment dat ze zich verstoppen voor de bad guys. Zodra het ’t meest ongelegen is, gebeurt het, simpelweg omdat je dat niet wilt. ‘Nouja, zo’n man is daar wel aan gewend hoor,’ was optie twee. ‘Ja, maar ik niet!’.

Hoera, geen piemelkanker

Het zijn kleine zorgen, en ik realiseer me best dat als dat het belangrijkste is waar ik me zorgen over moet maken op zo’n moment, dan mag ik me gelukkig prijzen. Hoe dan ook, de diagnose, bijbalontsteking, deed me stiekem hopen dat ik nog WordFeud speelde. Vervelend, maar niet dramatisch. Antibioticakuurtje, en voorlopig uit de zon blijven (hebben we één keer zomer in Nederland). Ik bel M, en vertel enigszins opgelucht wat het is, terwijl ik gebakjes haal om te vieren dat ik geen piemelkanker heb. Vijf minuten later, een SMS’je van M: ‘Hoe zeg je dat eigenlijk in het Engels? Bijbalontsteking?’. Ik denk even na, en grap terug: ‘Weet ik veel, great balls of fire?’. Eenmaal thuis vraag ik aan haar waarom ze dat eigenlijk wilde weten. Ze zocht dus een manier om aan onze Amerikaanse logé uit te leggen wat ik had.

Ik opende mijn mond om antwoord te geven, maar deed hem maar weer dicht toen er niets uitkwam. En vanaf dat moment begon het. De grote ‘vertel de wereld dat je last hebt van je ballen’ maand. Mijn verjaardag. ‘Waarom zit je in de schaduw, jij zit nooit in de schaduw?’ ‘Ja ik dacht ik doe even wat anders’. ‘Nee, even serieus, waarom?’ ‘Oh, gewoon, antibioticakuurtje, moet even uit de zon blijven’. ‘Oh, wat heb je dan?’ Zo kwamen de eerste tien mensen het te weten. Eten bij m’n schoonmoeder. ‘Mop, heb je je medicijnen al ingenomen?’ vraagt M heel goedbedoeld. ‘Medicijnen? Waar heb je last van dan?’ Hoppa, deel één van m’n schoonfamilie ook ingelicht.

De testikelfanclub

De antibiotica hielp niet, en ik moest tot drie keer terug om m’n broek te laten zakken bij drie verschillende huisartsen (tja, vakantietijd). Uiteindelijk werd ik na 45 dagen antibiotica door m’n eigen huisarts doorverwezen voor een echo, gewoon om het ergste alsnog uit te sluiten. De brief van het ziekenhuis? Die werd per ongeluk gestuurd naar mijn vorige adres, waar de andere helft van mijn schoonfamilie woont, die de brief hadden opengemaakt, simpelweg omdat je geen post voor anderen verwacht. Hoera, nog zeven mensen bij de testikelfanclub.

En in het ziekenhuis? Daar kwam ik bloedmooie vriendin S tegen. Die ik nooit, nóóit tegenkom, behalve als ik dus in het ziekenhuis ben om een fotootje te laten maken van m’n klokkenspel. ‘Joh, wat doe jij nou hier?’ vroeg ze. Hey kijk, daar had je haar moeder ook. Zo’n vraag kun je dus niet normaal beantwoorden. Of je zegt: ‘Ja, ik maak een echo van m’n ballen. En jij?’, of je ontwijkt, in welk geval het duidelijk is dat het iets gênants is, of je zegt dat is privé, in welk geval het duidelijk is dat het iets gênants is. Inmiddels waren er al zoveel mensen op de hoogte, dat ik met een stalen gezicht uit de doeken deed wat ik kwam doen. Mocht het ooit misgaan met M, dan geloof ik dat ik mijn kansen bij S verspeeld heb.

Wachten duurt lang

Uiteindelijk lag ik daar een kwartier lang te wachten op een dokterstafel, met m’n broek op de grond, handdoekje over het onderwerp van inspectie. Het onderzoek zou vijftien tot dertig minuten duren. Koelmos, koelmos, koelmos. ‘Had ik me moeten scheren, of staat dat heel enthousiast?’ dacht ik nog.  Maar terwijl ik daar lag, in m’n eentje, te luisteren naar ziekenhuisapparatuur, met kille verlichting in een kille ruimte, bekroop me ineens een angst. Óf ik zou dit kamertje uitlopen, en het direct weer vergeten, óf het kamertje zou symbool staan voor een dag waarop alles veranderde. De huisarts achtte de kans dat het mis was erg klein, maar wat als het wél zo was? Het kan zomaar. Ineens smeekte ik om, een situatie waarin een staande ovatie mijn grootste angst was. Dan duurt een kwartier wachten héél erg lang.

Een half uur later stond ik buiten, opgelucht, niets aan de hand. Ik kreeg M niet te pakken, dus stuurde haar een WhatsAppje dat alles in orde was. Maar ik lette niet goed op, en zo kwam mijn huisbaas ook gezellig te weten wat er met me aan de hand was. Ik dacht even na, en realiseerde me dat er maar één ding was dat ik nu kon doen. ‘Gisteren kreeg ik van iemand een gigantisch harde trap tussen m’n benen…’ schreef ik.