Met mijn mond vol tanden

Ik probeer zo cool mogelijk de praktijk in te stappen. Ik wil mijn jas uittrekken, als ik besef dat die al in de wachtkamer hangt. Kut. Het is de bedoeling dat ik mijn tanden ontbloot, niet dat ik een striptease weggeef. Heel cool, Mayke, heel cool.

Onwennig neem ik plaats op de stoel. Ik wil nonchalant mijn been over de stoel zwaaien, maar ik bedenk me op het laatste moment. Vorige keer nam ik namelijk de hele stellage met attributen mee in mijn ongecoördineerde beweging en kreeg hem vol tegen mijn smoel. Ik ga maar gewoon liggen. Benen strak aan elkaar, armen gevouwen op mijn borst. Als ik ter plaatse sterf, dan lig ik alvast in de goede houding.

Een gaatje of drie, vier
Ik wacht op mijn vonnis. Ik weet dat er een halve kies is afgebroken en naar het schijnt heb ik een aantal gaatjes. Een stuk of drie, vier. Ik kon uit de tandartstermen van de controle niet alles opmaken. Ik baal, want de pijnstillers waren op. Ik verdoof graag een beetje preventief.

Fantoompijn
‘We gaan eerst proberen je kies weer op te bouwen en dan doen we de rest.’ Voor de kies is geen verdoving nodig, die is jaren geleden al overleden. Ik heb wel last van fantoompijn, maar daar krijg ik geen verdoving voor. Het is duidelijk, ik moet me niet zo aanstellen. Na een poosje boren, slijpen, spuiten en slikken ga ik met mijn tong over mijn kies. Zo goed als nieuw.

‘A1. Of wat is het? B1.’ ‘A1.’ De locatie van het eerste gaatje. Ik houd mijn ogen gesloten, terwijl de tandarts en zijn assistente de locaties bespreken. ‘Wil je een verdoving?’ Ik stel mijn gebruikelijke vraag: ‘Doet het pijn?’ Het is ook de tandarts niet onbekend dat bij mij alles zeer doet, ook al ben ik een grote meid. ‘Ik denk niet dat het nodig is. Het valt wel mee.’

Een extra kies en een oog minder
Ik vind het geen bemoedigende woorden. Integendeel. Wat kan ik nu terug zeggen, zonder als een mietje over te komen?
‘Doe het maar zonder.’ Zei ik dat echt?
Mijn rechterhand houdt mijn linkerhand stevig vast, terwijl ik mijn mond open en mijn ogen sluit. Ik voel vloeistof over mijn wang lopen. Het zijn deze keer geen tranen of angstzweet. Hoogstens kwijl of water. Als ik heel even mijn ogen open zie ik het haakje van de tandarts vlak boven mijn rechteroog zweven. Meneer de tandarts lijkt zich er niet van bewust. Ik zie mezelf al de deur uit gaan met een extra helft kies en een oog minder. Ik sluit snel mijn ogen weer en doe een schietgebedje.

Met mijn mond vol tanden
‘Doe je ogen maar open en kijk maar eens goed’ hoor ik plotseling. Ben ik al in de hemel? Ik open mijn ogen en zie een stralende witte glimlach. Het is niet de tandarts en ook niet zijn assistente. Dit moet een engel zijn. Maar ik vergis me. Het is een spiegel en het zijn mijn eigen voortanden die ik zie. Met mijn tong ga ik eroverheen. Geen plekjes, verkleuringen en deukjes meer. Het is dat ik me bewust ben van al het kwijl aan mijn wang, want ik kan mijn tandarts wel zoenen.

Renovatie van de voorgevel
‘Je tanden zijn weer allemaal kleur A1.’ Wát! A1 is een kléur? Blijkbaar heb ik me voor niets zo druk gemaakt. Ik heb geen gaatjes en mijn gehele voorgevel is gerenoveerd. ‘Van roken en koffie kunnen je tanden wel weer verkleuren’ drukt de tandarts me nog snel even op het hart. Buiten de praktijk steek ik ondanks het advies opgelucht een sigaretje op. Ja hallo, ik kwam hier blijkbaar voor witte tanden, niet om een wit voetje te halen bij mijn tandarts. Ik ben benieuwd of mijn tanden hun eerste witte kerst gaan beleven. Ik inhaleer diep. Ach, gebroken wit is ook wit.

© Beeld: privébezit
Lees hier meer blogs van Mayke