Ode aan mijn schoonfamilie

Zondagochtend, ontbijten bij zijn ouders. Hoge hakken, ongewassen haar. Ik ben mezelf. En dat mag ook. Ik strompel op mijn eigen charmante wijze naar binnen, geef zijn vader een kus en zijn moeder een kroel. De geur van versgezette koffie, warme broodjes en poepluiers.

Schoonzusje gapend op de bank. Slecht geslapen, want die kleine vond het rond een uurtje of drie wel tijd om de wereld te gaan ontdekken. Je kan er tenslotte niet vroeg genoeg mee beginnen.

Vriendlief neemt de kleine met liefde van haar over. Daar zit-ie dan, die 2 meter lange vent van mij in zijn ouderlijk huis, met een prachtig minimensje in zijn armen; ik smelt.

De tafel ligt vol met de lekkerste broodjes die moeders gepresenteerd heeft alsof het kerst is. Al is mijn zwager het hier absoluut niet mee eens: “Dit met kerst zou wel een beetje karig zijn.” Hij laat een scheet terwijl hij van een croissantje een pizza probeert te maken en lacht er zelf het hardst om.

Ondertussen komt zijn vrouw binnen, met de kleine meid in de maxicosi en de grote verlegen broer achter moeders in-leren-legging-gehesen-been. Het kleine meisje wordt met maxicosi en al op vaders schoot gezet. Vaders doet alsof hij in een auto zit, inclusief  ‘aan de kant, idioot’ en ‘doorrijden, malloot’. De kleine opent een seconde haar ogen, maar slaapt weer verder als ze doorheeft dat het haar gekke papa ‘maar’ is. Ze is inmiddels aan haar vader gewend. En ook ik weet de druktemaker te waarderen.

Het grootste kleinkind ligt inmiddels tussen honderd autootjes op de grond. Om een broodje te kunnen pakken, breek je minstens één keer je enkel, terwijl je je een weg baant door het speelgoed.

Het prachtige minimensje op vriendlief zijn schoot ligt flink te knetteren. En ik geniet van dat moment. Schoonmoeders roept voor de zoveelste keer, tussen alle chaos door, dat we alles mogen pakken. “Iemand nog koffie? Niet? Thee dan? Iets anders? Melk? Water? Een sapje? Broodje? Croissantje? Neem wat fruit. Daisy, ananas?” Voor ik geantwoord heb, heb ik al een stuk verse ananas tegen mijn huig aan liggen.

Mijn schoonfamilie; één grote gezellige chaos. Met een warmte die ik nooit heb gekend.

En dan nu de lootjes, want daar kwamen we voor.