Ongegeneerd mezelf

‘Jij bent ook geen spat veranderd.’ Mijn oud-klasgenote neemt me van top tot teen op. ‘Je mimiek, die gebaartjes van je… Zelfs je stem klinkt nog hetzelfde.’
Een beetje ongemakkelijk grijns ik naar haar. ‘Bedankt. Eh, denk ik?’

Imagozorgen
Ik maak me al de hele dag zorgen over de reünie van mijn basisschoolklas. Wat trek ik aan? Het is wasdag, dus tenzij ik in een horizontaal gestreepte slobbertrui en een verticaal gestreepte broek wil verschijnen, ben ik aangewezen op mijn formele kleding. Dan: wat moet ik zeggen? Wat als ze me niet tof vinden? Wat als ze me niet herkennen? Wat als ik hén niet herken?

Maak je niet dik
In de tijd dat ik alle mensen die vanavond aanwezig zijn leerde kennen, zou het niet eens in me opgekomen zijn om me druk te maken om hoe ik overkom op anderen.
Mijn kleding? Ik vond spijkerbroeken niet lekker zitten, dus droeg ik als enige uit de klas tot ver na de acceptabele groep-4-grens nog lelijke stretchbroeken met diverse (allemaal even afzichtelijke) geometrische patroontjes.
Mijn lange haar trok ik met twee rode kammetjes naar achteren, zodat het niet in mijn gezicht hing. Toen ik er eentje kwijtraakte verving ik het voor een geel exemplaar, dat ik samen met het overgebleven rode kammetje in mijn haar droeg. Dat vond ik zelf helemaal niet raar staan.
Ik maakte me geen seconde druk over of ik een onderkin had tijdens het lachen of dat er misschien te veel tandvlees zichtbaar was. Waarom zou je ook, als je het leuk hebt?

Zelfreflectie: nul (heerlijk)
Of het nu kwam doordat ik nog niet over het vermogen tot zelfreflectie beschikte of gewoon doordat het me geen moer kon schelen wat anderen van me vonden, weet ik niet. Wat ik wel durf te stellen, is dat de basisschool de enige periode in mijn leven was waarin ik ongegeneerd mezelf was. Altijd en overal. Mijn klasgenoten vond ik niet allemaal even aardig, maar we kenden elkaar al sinds de kleuterklas. Daarom voelde ik zelfs met de mensen die ik niet bijzonder graag mocht een speciale band. Ik was altijd bereid om me te mengen in spelletjes en om overal aan mee te doen. Zonder enige schaamte kletste ik de bonte avond aan elkaar of playbackte ik een raar liedje. In mijn eentje. In een gekke outfit. Het kwam niet eens in me op dat mensen me misschien een verschrikkelijk kind vonden. Ik dacht alleen maar: ‘Hoezo zou je mij er niet bij willen hebben? Ik ben awesome!’

Als vanouds
Het schiet allemaal door mijn hoofd terwijl ik mijn oud-klasgenote vragend aankijk. Ze grijnst haar witte tanden bloot en knikt. ‘Het was inderdaad een compliment.’ Dan trekt ze me in een omhelzing. ‘Ik vind het zo leuk om je weer te zien!’
Onbeholpen klop ik op haar rug. ‘Ik ook.’ Niet alleen om haar weer te zien, maar om ze allemaal te zien. De rest van de avond maken we afwisselend grapjes en voeren we serieuze gesprekken. Ik praat met de mensen die ik groot heb zien worden, zonder me één keer af te vragen wat ze vinden van mijn kleding, haar of onderkinlach. Gewoon een avondje als vanouds, ongegeneerd mezelf. Zou ik vaker moeten doen.