De perfecte huisvrouw

huisvrouw

Vorig weekend ben ik door drie mensen afzonderlijk van elkaar een waardeloze huisvrouw genoemd. Nu ben ik doorgaans zelf de eerste om dat te roepen, maar om het uit de mond van een ander te horen (of uit de mond van drie anderen) doet toch een beetje zeer. Ik bedoel, je roept dat soort dingen vaak juist in de hoop dat andere mensen het zullen ontkrachten – of in ieder geval in de hoop dat ze het niet zullen bevestigen. Het raakte me recht in mijn ego, dus besloot ik deze week een voorbeeldige chef huishouding te zijn.

Trui aan de lamp
Mijn huis heeft de neiging om ondanks mijn pogingen om orde in de chaos te scheppen, toch altijd weer te vervallen in een inferno van rondslingerende kledingstukken, vieze vaat en algehele troeperigheid. Wat niet helpt is dat ik me er slechts eens per week toe kan zetten de hele bult kleding die naast het bed bivakkeert te wassen. Dat heb ik deze week dus heel netjes in porties gedaan, zodat ik niet op De Grote Wasdag hysterisch alles als waslijn hoefde te gaan gebruiken. Dan hoeft mijn vriend ook het volgende gesprek niet meer met me te voeren:
‘Waar is mijn groene trui?’
‘Die hangt aan de lamp. Alleen weet ik niet of hij al droog is.’
‘O, oké. En mijn sokken?’
‘Eh, ik geloof dat ik die over de messen in het messenblok heb getrokken om te drogen.’

Ouwewijvenhandjes
Nog een zooi-inducerende factor: ik vouw de was vaak wel op als hij droog is, maar dan laat ik de nette stapeltjes T-shirts, sokken en truien gewoon op tafel liggen. Het is blijkbaar net een stapje te ingewikkeld om ze te verplaatsen naar de kast. Deze week heb ik na ieder wasje de kleding netjes opgevouwen en teruggelegd in de kast, zodat de huiskamer er ineens een stuk minder ontploft uitzag. Ook heb ik iedere dag netjes de afwas gedaan (wat overigens echt een stuk beter is; voordat je ouwewijvenhandjes kunt krijgen van het water ben je alweer klaar met de vieze vaat) en het fornuis schoongemaakt. Toen ik naar de keuken keek, was het net alsof er iemand anders woonde.

Brownies in de Ikea-showroom
Als klap op de vuurpijl bakte ik donderdag brownies. Toen mijn vriend ’s avonds de deur opendeed, snuffelde hij in de lucht. ‘Wat ruikt het hier lekker,’ zei hij verbaasd. Het huis was schoon, opgeruimd en netjes. De verwarming was aan en ik had een snoer kerstlichtjes over de rug van de bank gedrapeerd voor wat extra gratis gezelligheid. Toegegeven: het heeft wel iets, zo’n opgeruimd huis. Ik moet mezelf alleen constant vertellen dat dit mijn huis is, en niet de Ikea-showroom. Wat ik namelijk heb ontdekt de afgelopen week: ik vind rommel sympathiek. Ik zie graag aan een huis dat er geleefd wordt. Als mijn flat compleet aan kant is, is dat natuurlijk heel fijn, maar hoe weet ik dan zeker dat het mijn huis is?

© Beeld: Thinkstock