Plan B

Mijn moeder zou het niet erg vinden om oma te worden. Dat weet ik, want dat vertelt ze me iedere week voorzichtig. Om precies te zijn: iedere maandag, nadat ze heeft opgepast op haar surrogaatkleinkind – eigenlijk het kindje van haar buren. Nu noem ik het buren, maar als je in Spijkerboor woont (ergens tussen Appelkuttenveen en Achtste Exloërmondsekanaal) zijn de mensen die op twee kilometer afstand wonen al snel buren.

Plop, plop, plop, iedereen zwanger
‘Zó leuk, Lis, zo’n kleintje. Ik verheug me al helemaal op de rol van oma,’ zegt mam dan. Daarna voegt ze er haastig aan toe: ‘Niet dat ik je push, hoor.’
Persoonlijk vind ik mezelf nog lang niet aan kinderen toe. Het voelt bizar en fascinerend dat mijn leeftijdsgenoten ineens massaal beginnen met ringen om elkaars vingers schuiven en kinderen baren. Meiden met wie ik nog ging stappen op de middelbare school, lopen nu rond met een dikke buik die op springen staat. Mijn basisschoolvriendinnen bewonderen de babykamer die in elkaar is getimmerd door hun kersverse man, met een peuter die zich als een resusaapje vastklampt aan hun been en een nieuwe spruit op komst.

Babykriebel
Voor de rest van de mensheid hoop ik dat ik me voorlopig nog niet voortplant. Toch betrap ik mezelf de laatste tijd af en toe op iets wat mijn vriendinnen gekscherend ‘een babykriebel’ noemen. Het gebeurt op de rozewolkigste momenten die ik van andere mensen meekrijg. Een blozend zwangere vrouw met een roze doek rond haar buik; een tandeloos lachende baby met grote blauwe ogen in een kinderwagen; een film waarin iemand met een grote grijns kijkt naar de twee streepjes op haar zwangerschapstest. Of is het één streepje? Zie je, zo weinig weet ik ervan.

Als het zo is, is het zo
‘Wat nu als je morgen zwanger blijkt te zijn?’ vraagt vriendin L. Ik denk er even zwijgend over na.
‘Nou, ten eerste heb ik het kind dan gisteren waarschijnlijk een open ruggetje gezopen,’ begin ik aarzelend. ‘Maar… Nou ja. Als het zo is, dan is het zo.’
En zo zou het zijn. Lau en ik hebben allebei een inkomen, we hebben een dak boven ons hoofd; het zou geen ramp zijn. De enige reden dat ik braaf de pil blijf slikken is onze stapel plannen. We wíllen nog zo veel. Een baby past niet in Plan A. Af en toe vind ik het al heel wat dat ik verantwoordelijk ben voor twee konijnen, laat staan dat ik zou moeten zorgen voor een hoopje afhankelijke zachtheid. Whopper en Guus kan ik nog eens een nachtje alleen laten met een bak vol voer. Ik vrees dat ik dat met een baby niet moet proberen. En die poept ook niet netjes in een hoekje van zijn wieg, natuurlijk. Ach, in ieder geval zou ik mijn moeder er wel blij mee maken. Als Plan A niet werkt, is er altijd nog een Plan B. Of C, D, E, F…