Poeptaboe

Vrouwen poepen niet. Als een vrouw toch poept, doet ze dat op charmante wijze. En het ruikt niet. Of het ruikt heerlijk.
Dat is wat ik altijd zeg en waar ik in probeer te geloven.
Laatst zat ik op een openbaar toilet met schuin tegenover mij een weerspiegelende toiletrolhouder. ”Toiletrolhouder’, raar woord, maar dat terzijde. Een weerspiegelende toiletrolhouder tegenover de pot, zou verboden moeten worden. Ik weet zeker dat het bedacht is door een man. Een man die gelooft dat vrouwen niet poepen. Of niet denkt aan vrouwen die poepen. Of juist wel.

Poepen op een openbaar toilet is sowieso een ramp. Poepen op een openbaar toilet betekent dat je echt héél nodig moet. Want anders doe je het niet. Echt niet. Afijn, ik zit daar op dat openbare toilet met naast me nog drie of vier vrouwen. Er zitten weliswaar schotjes tussen de potjes, maar eerlijk is eerlijk, het voelt toch alsof je met z’n allen naast elkaar je afvalstoffen probeert kwijt te raken.

In de toiletrolhouder zie ik hoe mijn hoofd er ineens uitziet als dat van Sméagol. Ik zie de humor er wel van in en schiet spontaan in de lach. Per ongeluk ontsnapt daar een ‘flatulentje’, die de vrouw naast me heus wel heeft gehoord, maar toch doet alsof het nooit is gebeurd, als we naast elkaar onze handen staan te wassen.
De hele mythe ‘vrouwen poepen niet’ is natuurlijk de grootste onzin. Toch zou ik willen dat het waar was. Het blijft gênant: Poepen.

Je zegt ook nooit: Ik ga even poepen. Het ‘ik ga even plassen’, ‘Oh, ik moet zó nodig plassen’, ‘Ik plas in mijn broek’, is over het algemeen wel geaccepteerd. Zelfs de ‘even uit de kut brullen’, is een uitspraak waar om gelachen kan worden. Maar ‘ik ga even poepen’, ‘Oh, ik moet zó nodig poepen’, ‘Ik poep in mijn broek’, dat zeg je niet. Of je zegt het om te shockeren. Wat bij mij keer op keer lukt.
“Ze gaat even poepen.”
“Poepen?! Dat vind ik zó niks voor haar.’

Poepen en de liefde, dat is ook zoiets dat niet samen gaat. Voor sommigen wel, maar daar wil ik nu niet, of eigenlijk nooit, aan denken. Ik denk dat mensen die daar wél aan denken, het niet zullen zeggen. ‘Ik denk vaak aan poepen en liefde’, klinkt toch ietwat vreemd. Op poepen zit een taboe; het poeptaboe.

Zo had ik ooit een vriendje waarbij ik heel krampachtig mijn poep probeerde op te houden. ‘Denk maar niet dat ik ooit bij hem thuis ga poepen’. Het was ook zo’n jongen waarbij je dat niet in je hoofd haalt, poepen. En dat ongelooflijk kleine toilet, in de piepkleine badkamer, onder de trap van de bovenbuurman, hielp ook niet echt mee. Maar dan komt die dag dat je blijft slapen. Of zelfs een heel weekend blijft. Wat moet je dan. Ik heb uit pure noodzaak een keer mijn hond als excuus gebruikt. Die had ik meegenomen en ik zei dat ik even met hem ging wandelen. Ondertussen ben ik naar een openbaar toilet gegaan. Hond aan een paal gezet en daar heb ik me toch een partij zitten genieten. Wat een opluchting. Én nog steeds de ideale vrouw. Of in ieder geval eentje die zogenaamd niet poept.

Beeld; thinkstock