Mijn raspaard

Hoewel mijn stadsbarrel eruit ziet als een zwaar verwaarloosde shetlandpony met te lange teennagels; mijn racefiets is mijn kindje, mijn harteliefje, mijn raspaardje. 

Ik weet nog goed toen ik ‘m kocht, twee jaar geleden. Weken had ik erop moeten wachten, en toen stond hij ineens voor me klaar bij de fietsenmaker. In de maanden ervoor had ik mij grondig verdiept in wat ik wilde en wat er te koop was. Tot ik uiteindelijk mijn baby had gevonden: een blauw-witte Bianchi Via Nirone C2C. Met een triple en afgemonteerd met shimano 105.

(Voor echte nerds is het vloeken in de kerk om een Italiaanse fiets geen Italiaanse onderdelen te geven, maar die nerds zitten toch niet op Viva.nl dus BOEIEN.)

Toen ik ‘m dan eindelijk in huis had, wilde ik ‘m eigenlijk naast mijn bed zetten. Zoals je vroeger je nieuwe schoenen naast je bed zette. Zodat je bij het ontwaken dacht: ‘wat was er ook alweer?’

En dat je dan je nieuwe schoenen zag staan.

Zo aaide ik elke ochtend mijn fiets. Jep. Echt. Jullie mogen me nu in een dwangbuis afvoeren naar het eerste de beste gekkenhuis. Maar hoe meer je op je racefiets zit, hoe meer het je kindje wordt. Mijn bips is vergroeid met het zadel, de ketting moet ik goed onderhouden want anders fietst het niet lekker. De bandjes hard, het frame schoon.

Het is ook een beetje een wielrennerswet, goed voor je fiets zorgen. Als je met een vieze fiets aan een toertocht begint, krijg je daar zeker weten opmerkingen over. Een goede fietser is een schone fietser.

En dus zien mijn buren me minstens één keer per week met mijn fiets op de binnenplaats staan. Wielen eruit, tuinslang aan, en schoonmaken maar. Waarna ik met een tandenborstel de vieze kleine hoekjes schoonpoets.

Ik lijk wel gek. Ik denk dat mijn buren ook denken dat ik dat ben. Geeft niks. Dit ritueel is iets tussen mij en mijn Bianchi. Mijn raspaardje. Mijn baby.