Het ruikt hier naar de Gamma

Op een zonnige maandagavond vraagt mijn vriend voorzichtig of ik een stukje met hem wil fietsen. Argwanend kijk ik hem aan. “Een stukje?”

Mijn vriend, de wielrenner, heeft een racefiets met alles erop en eraan. Rijdt afstanden van boven de 100 kilometer met een bizar gemiddelde snelheid. Ikzelf, daarentegen, heb inmiddels zo’n tien jaar niet meer gefietst. Niet omdat ik daar te lui voor ben, nou ja, eigenlijk een beetje wel. Mijn fiets werd gestolen toen ik in de stad kwam wonen en daarna heb ik nooit meer een nieuwe aangeschaft. Ik doe alles altijd lopend of met het openbaar vervoer. No biggie.

Voor het eerst in de kelder
“Maar ik heb niet eens een fiets”. “Dat maakt niet uit, ik heb er twee.” “Oh.” “Fietsen we wel even naar Barendrecht, daar moeten we toch zijn.” “Hoeveel kilometer is dat?” Schouderophalend zegt hij: “ach, een kilometer of tien.” Hoewel me dat wat optimistisch in de oren klinkt, ga ik akkoord en voor ik het weet zijn we in de kelder beland. Nooit eerder heb ik de kelder van ons appartement met een bezoekje vereerd. Wat heb ik daar te zoeken? Het enige wat er ligt zijn blijkbaar dus fietsen, fietsonderdelen, gereedschap en wat zooi.

Zin in het leven
IJverig controleert hij de fietsen, pompt de banden op en gaat hij op zoek naar materiaal om mijn zadel te verstellen. Het ruikt hier naar de Gamma. Zo’n muffe bouwmarktlucht, waarvan mannen helemaal opgewonden aan de slag gaan en de energie van vrouwen (en hun zin in het leven) in één klap neergeknuppeld wordt. Als een moedeloze mug bij een citroenkaars. Met het vooruitzicht dadelijk ook nog de Mount Everest te moeten beklimmen. Zoiets. Ik krijg een helm aangeboden, maar die sla ik af. Ik voel me al enigszins een oplichter omdat ik, jawel, een echte fietsbroekhansop aan heb. Een te kleine van hem natuurlijk. Tien jaar niet gefietst en ik loop erbij alsof ik een pro ben. Het is maar goed dat het zo donker is hier in de kelder, als ik het angstzweet van mijn voorhoofd veeg.

Je bent een pro of niet
Eenmaal buiten snuif ik de frisse lucht naar binnen. Al gassen er op dat moment tien auto’s voorbij. Geen geneuzel meer, we kunnen! Een beetje verbijsterd kijk ik naar het stuur van mijn racefiets. Het is lang geleden, maar ik weet nog heel goed dat op mijn oude normale fiets slechts één mechanisme zat voor drie versnellingen. Dit is andere koek. Mijn vriend probeert het me uit te leggen, maar hij verliest mijn aandacht als hij het over verschillende aandrijvingen van tandwielen heeft. Ik wil alleen maar weten wat ik moet doen als ik zwaarder of minder zwaar wil trappen, de technische details zijn (nog) niet aan deze fietsamateur besteed. Gelukkig gaat het allemaal vanzelf als we onderweg zijn.

De nieuwe houding
De eerste halve minuut zwabber ik het fietspad over. Maar het gezegde is toch echt waar: fietsen verleer je niet! Al betwijfel ik of ik wel echt met fietsen bezig ben. Ik maak me druk over tegenliggers, wat er van rechts komt, of de pedalen wel met de juiste kant naar boven wijzen en het allermeeste nog: de nieuwe houding die ik me aan moet meten. Nee, niet die van fietsliefhebber bedoel ik. Op een racefiets moet je dus totaal anders zitten dan op een normale damesfiets. In een schietgebedje dank ik alle goden die er bestaan dat ik toch maar die fietsbroek – met kussentjes aan de binnenkant – aan heb getrokken, want het zadel is op z’n zachtst gezegd behoorlijk wennen…

It is me, Bridget.
Mijn vriend lacht me steeds opvallend toe vanaf opzij. Of lacht hij me de hele tijd uit? Ik had hem van tevoren nog gewaarschuwd voor Bridget-Jones-acties (a.k.a. klunzige stommiteiten). Ach, na zo’n zes kilometer ben ik, ongelofelijk maar waar, echt aan het fietsen. Fietsen op een racefiets is een eitje. Wie had dat gedacht? Na twaalf kilometer vind ik het echt wel relaxt om op dijkjes, langs bomen en konijntjes, in de zon, met een fijn windje tegen te fietsen, maar ik vraag me af waarom we er nog niet zijn. Het was dus niet tien kilometer, maar twintig kilometer. Klein verschilletje.

Het maakt niet meer uit, I’m on fire! Bij vlagen fiets ik zesentwintig tot wel dertig kilometer per uur. Ik heb de houding gevonden, die van wielrenner èn die van fietsliefhebber! Als we na veertig kilometer weer thuis zijn, maak ik al plannen voor een volgend ritje. Tien jaar fietsloos, in Holland nog wel, het kon.

Vanaf nu weer aan het fietsen, met mijn jarige vriendje. Happy birthday baby!

© Beeld: Chantal Straver